Laden. Even geduld aub.

Telefoon0683775936EMAIL: linda [@] psychologievandaag.nlOPENINGSTIJDEN:Maandag-vrijdag 09:00-17:00
steen.jpg
02/dec/2020

Is psychologie een wetenschap? Eens in de zoveel tijd stelt iemand mij deze vraag. Het antwoord is simpel en ingewikkeld tegelijk. Psychologie is zeker een wetenschap, namelijk een sociale wetenschap. Maar wat bedoelen we er precies mee als we dat zeggen? En wat zijn de beperkingen ervan? In dit artikel leg ik je de ins & outs uit. In de laatste alinea bespreek ik wat dit betekent voor als je in zorg bent.

Een klein stukje achtergrond

Deze vraag raakt aan wetenschapsfilosofie. Dat is een veel te breed (maar wel razend interessant!) vakgebied, waar ik hier niet uitgebreid op in zal gaan. Maar heel kort kun je het volgende zeggen: in de wetenschap heb je de zogenaamde “harde” of “exacte” wetenschappen, zoals natuurkunde, sterrenkunde en gedeeltelijk ook geneeskunde. Zij gaan uit van een objectieve werkelijkheid die je kunt meten en waar je mee kunt rekenen. Door de zwaartekracht valt een steen naar beneden, we leven in een zonnestelsel met zeven andere planeten, en de belangrijkste ader in het menselijk lichaam is de aorta. Dit is even vereenvoudigd, want ook in die wetenschappen zijn onderzoekers het vaak genoeg oneens.

Natuurlijk kun je niet alles op die manier meten. Mensen, samenlevingen, religie, kunst en taal zijn complex en bovendien voor een groot deel subjectief. Het is maar de vraag of er op deze gebieden een meetbare werkelijkheid is. Heeft het dan geen zin om wetenschap te bedrijven? Natuurlijk wel. Sociale wetenschap helpt bijvoorbeeld om patronen te ontdekken in de wereld waarin we leven, en ondersteunt discussies over dingen die we belangrijk vinden. Bijvoorbeeld rechtvaardigheid, welbevinden en menswaardigheid.

Mensen die een exacte wetenschap hebben gestudeerd, hebben daarna als titel “Master of Science”. Sociale wetenschappers en geesteswetenschappers heten “Master of Arts”. Daaraan kun je grofweg zien wat de benadering is van een discipline.

Psychologen zijn Master of Science. Dat komt doordat psychologie zich bezighoudt met het meten, begrijpen, classificeren en zo nodig behandelen van menselijke ervaringen, en daarbij methoden gebruikt die je ook in de exacte wetenschappen ziet. Maar eigenlijk zitten we een beetje tussen arts en science in. Minder afgebakend en exacte dan een “harde” wetenschap, maar wel meer dan de meeste andere sociale wetenschappen.

De replicatiecrisis

De discussie over de wetenschappelijkheid van psychologie is de afgelopen jaren hoog opgelopen. Dat begon in 2015 met een artikel van de Open Science Collaboration genaamd Estimating the Reproducibility of Psychological Science. Reproducibility is reproduceerbaarheid, of herhaalbaarheid. In de harde wetenschappen is dit een belangrijke factor. Het betekent dat als er een nieuwe wetenschappelijke bevinding is, een tweede (en derde, en vierde) wetenschapper dezelfde resultaten moet kunnen behalen. Als de theorie van de zwaartekracht klopt, verwacht je bijvoorbeeld dat alle stenen naar beneden vallen en niet alleen die van één wetenschapper. Wil iemand dit experiment herhalen, maar zijn steen valt naar boven, dan is de zwaartekracht blijkbaar niet zo’n goede theorie – behalve als je op de maan staat, maar dat kun je dan ook goed uitleggen. Kortom: hoe meer mensen jouw onderzoek kunnen herhalen, en daarbij dezelfde resultaten behalen, hoe betrouwbaarder je theorie.

De Open Science Collaboration heeft 100 psychologische onderzoeken herhaald, en kon maar een derde van de uitkomsten reproduceren. Meer mensen doken erin en vonden vergelijkbare uitkomsten. Er zijn allerlei theorieën over waarom dat zo is. De Wikipedia-pagina over dit onderwerp geeft een vrij goed overzicht. Ook andere wetenschappen kwamen er overigens bekaaid vanaf.

Wat betekent dat?

De psychologie is een menswetenschap en daarin valt een steen niet altijd naar beneden. Oftewel: wat waar is voor de een, is misschien niet waar voor de ander. En alle factoren in beeld krijgen die verklaren waarom dat zo is, is waarschijnlijk ondoenlijk. Dat betekent niet dat je het niet moet proberen, want begrip van de psyche kan mensen enorm helpen, maar wel dat enige bescheidenheid op zijn plek is.

Iemand die dit fantastisch uit kan leggen, is Trudy Dehue. Ze doet dat bijvoorbeeld in haar boek Betere Mensen uit 2018. Ze beschrijft daarin dat je je altijd moet realiseren dat aan alle wetenschap keuzes vooraf gaan. Menselijke keuzes, die misschien heel zorgvuldig zijn gemaakt, maar toch gevolgen hebben voor wat we vervolgens voor “waar” aannemen. Dit geldt overigens voor alle wetenschappen. Weet je nog dat we Pluto vroeger meerekenden als de negende planeet in ons zonnestelsel, totdat iemand aan de definities begon te rommelen? Nu is het een dwergplaneet die bij de ring van Neptunus hoort. Terwijl Pluto zelf in de tussentijd echt niet is veranderd.

Op het moment dat je hulp zoekt, betekent het dat je kritisch mag zijn. Vraag door over wat je behandelaar bedoelt met bepaalde termen. Bespreek het als iets niet herkenbaar is voor jou. Sta er samen bij stil of een voorgestelde behandeling ook in jouw specifieke situatie zal werken. Je behandelaar is de expert over zijn vakgebied. Hij gebruikt de kennis van zijn opleiding, maar ook zijn ervaringen als clinicus. Hij zegt iets echt niet zomaar. Jij bent echter de expert over jezelf. Jullie komen er vast uit; psychologen zijn prima in staat om dit soort gesprekken te voeren.

Lukt het niet? Dan leg je uit je echt goed hebt geluisterd naar wat je psycholoog zegt, maar dat jij nou net een van die mensen bent waarbij de steen naar boven valt. En vraag je of jullie samen kunnen uitpuzzelen waarom dat toch zo is


adhd-medicatie.jpg
29/jan/2020

Bij de behandeling van ADHD wordt snel gedacht aan medicatie. In de praktijk kom ik veel ouders en kinderen tegen die daar bedenkingen bij hebben. Gedeeltelijk terecht, zoals we hieronder zullen zien. Maar hoe maak je nou een afgewogen keuze voor jezelf of je kind? En als je niet kiest voor medicatie, wat zijn dan je behandelopties? De informatie in dit artikel kan geen medisch advies vervangen van een arts die jou of jullie kent, maar helpt je op weg om het gesprek te voeren of keuzes te maken.

Wat is ADHD-medicatie?

Bij ADHD-medicatie voor kinderen hebben we het meestal over een vorm van methylfenidaat. Dit is de naam van de stof. Methylfenidaat is op de markt onder verschillende merknamen, zoals Concerta, Equasym, Kinecteen, Medikinet, Methylfenidaat en Ritalin. Tweede keuze is dexamfetamine (stofnaam), op de markt onder de naam Amfexa of Dexamfetamine FNA. De reden waarom dit medicijn tweede keuze is, is omdat er minder onderzoek naar is gedaan bij kinderen. Op de website van Apotheek.nl lees je meer over de verschillende medicatiesoorten. Op zoek naar een meer medisch-technische uitleg? Bekijk de website van het Farmacotherapeutisch Kompas.

Methylfenidaat en dexamfetamine zijn stimulerende middelen. Ze vallen in dezelfde klasse als de drug amfetamine. Ze worden voorgeschreven op basis van het idee dat het brein van kinderen met ADHD te ongeconcentreerd is, waardoor ze dromerig óf juist druk worden. Vergelijk het met koffie bij volwassenen: het neemt gevoelens van slaperigheid weg en maakt je gefocust. Je hart gaat wat sneller kloppen, je bloeddruk stijgt en je bent alerter. ADHD-medicatie werkt hetzelfde.

Voor volwassenen worden ook vaak stimulerende middelen voorgeschreven, maar meer verschillende. Kijk eens in de richtlijn van de NVvP welke het zijn. Daarnaast zijn er een tweetal niet-stimulerende middelen: atomoxetine en bupropion.

Ongeveer 75% van de kinderen en volwassenen met ADHD heeft baat bij stimulerende medicatie. Bij ongeveer 60% werkt methylfenidaat. Het is dus zeker geen oplossing voor iedereen.

Wat is het officiële advies?

De richtlijn van het Nederlands Jeugd Instituut en het Farmacotherapeutisch Kompas zeggen hetzelfde: liever geen medicatie als eerste behandelvorm. Er zijn goede pedagogische en psychologische behandelvormen die veel opleveren en geen bijwerkingen hebben. Bovendien is het resultaat duurzamer. Medicatie lost immers niks op: als het pilletje is uitgewerkt, is het probleem nog steeds hetzelfde. De persoon heeft niet geleerd ermee om te gaan. Het Nederlands Jeugd Instituut zegt daarom: medicatie in principe alleen bij ernstige vormen van ADHD. Het gaat dan om kinderen die zoveel last hebben van hun ADHD, dat ze niks aan een psychologische interventie hebben. Ze pikken er simpelweg niets van op. Tegelijkertijd lijden ze in hun dagelijks leven, in die zin dat ze meestal forse problemen hebben op school en in de omgang met leeftijdsgenoten. Het Farmacotherapeutisch Kompas zegt hetzelfde: alleen als niet-medicamenteuze behandeling onvoldoende verbetering oplevert, kan ter ondersteuning medicatie worden overwogen.

Ook voor volwassenen is het advies medicatie niet losstaand te gebruiken, maar alleen als onderdeel van een uitgebreid behandelprogramma gericht op psychologische, gedragsmatige en educatieve of beroepsmatige problemen.

Voor zowel kinderen als volwassenen geldt dat de behandeling moet plaatsvinden onder toezicht van een gespecialiseerde arts op het gebied van gedragsstoornissen bij kinderen, adolescenten of volwassenen. Daarmee wordt een psychiater bedoeld. Het voorschrijven van ADHD-medicatie door de huisarts wordt afgeraden. Pas als iemand langdurig stabiel is ingesteld op medicatie en de therapie is afgerond, kun je denken aan overdracht naar de huisarts. Waarbij het belangrijk is dat deze daadwerkelijk vinger aan de pols houdt hoe het gaat en op tijd vraagt om een herbeoordeling door een specialist.

Voor- en nadelen

Onderstaande lijst is samengesteld uit bovengenoemde richtlijnen en het handboek van Carr (2006).

Er is in feite één groot voordeel aan ADHD-medicatie:

  • Kinderen en volwassenen met ernstige ADHD kunnen heel snel een flinke vermindering van de kernsymptomen van ADHD ervaren (impulsiviteit, hyperactiviteit en aandachtstekort). Ik ken gezinnen waarin deze verlichting nodig was en niet op een andere manier bereikt kon worden. Soms was alles al geprobeerd. De medicatie gaf rust en maakte dat het kind weer aan zijn ontwikkelingstaken toe kwam. Dit kan ook voor volwassenen zo zijn.

Nadelen zijn er ook. Uiteraard zijn ze niet allemaal op iedereen van toepassing. Maar neem vooral het volgende in overweging:

  • Alle medicijnen hebben bijwerkingen. Dit geldt zeker voor medicatie die voor ADHD wordt gegeven: dit zijn geen lichte medicijnen en veel kinderen en volwassenen hebben een of meerdere bijwerkingen. Kijk maar eens in de informatie op Apotheek.nl en het Farmacotherapeutisch Kompas wat dit kan zijn.
  • Je moet er steeds aan denken. Juist voor mensen met ADHD is dit lastig.
  • Bij volwassenen is er een risico op misbruik of verslaving. Voor kinderen wordt dit in onderzoek niet teruggevonden. Ook komt uit onderzoek niet naar voren dat kinderen op deze manier leren om problemen met een pil op te lossen.
  • Volwassenen kunnen er agressiever van worden. Kinderen kunnen er tics door ontwikkelen. Sommige mensen rapporteren dat ze nerveuzer of angstiger worden.
  • Zodra je de medicatie niet meer gebruikt, is het effect weg.
  • Volwassenen kunnen het niet gebruiken tijdens zwangerschap of borstvoeding.
  • De gevolgen voor veiligheid en werkzaamheid op de lange termijn zijn onvolledig bekend.
  • Er zijn aanwijzingen voor een verhoogde kans op hartproblemen, maar dit komt niet eenduidig uit de onderzoeken naar voren.
  • Zowel kinderen als volwassenen geven soms aan zich niet zichzelf te voelen tijdens het gebruik.

De metafoor van de berg en de helikopter

Onlangs las ik een mooie metafoor (Stolp, 2010, p. 62). Daarin wordt de ervaring die middelen met zich meebrengt, vergeleken met een helikopter die je huurt om je op de top van een van de hoogste bergen ter aarde te laten afzetten. Je komt er snel, hoeft geen inspanning te verrichten en kunt toch genieten van het prachtige uitzicht op de top van de berg.

Als je niet de helikopter neemt, maar stap voor stap de berg beklimt, kies je voor een moeilijkere weg. Je hebt te maken met risico’s, zware inspanningen, gewichtsverlies, een zorgvuldige planning van hoe je het best de top kunt bereiken, enzovoort. Je zou deze bergbeklimming kunnen vergelijken met de andere behandelvormen voor ADHD: ze kosten heel wat meer energie, je moet er meer tijd en geld voor overhebben, je wanhoopt weleens of het werkt en zal lukken.

Maar de bergbeklimmer die de top bereikt, heeft op die moeizame toch wél iets heel bijzonders veroverd. Dit houdt hij zijn hele leven. Hij wint doorzettingsvermogen, de diepe vreugde dat het gelukt is, en daarom een gegroeid zelfvertrouwen. De bergbeklimmer staat nadien anders, sterker in het leven en is steviger in zichzelf geworteld dan voordien. Een levensstorm zal haar of hem niet meer zo snel omkegelen als voor die tijd: hij of zij heeft zijn eigen krachten leren kennen en heeft daarop leren vertrouwen. Terwijl degene die zich met de helikopter liet afzetten op de top niets geleerd heeft.

De afweging om medicatie draait soms om het punt of ouders, kinderen en volwassenen de moed hebben de berg te beklimmen in plaats van zich met een helikopter op de top van de berg af te laten zetten. Stolp roept elke ouder op deze vraag zorgvuldig te overdenken. Dit advies kan ik van harte onderschrijven.

Een laatste advies

Bovenstaande informatie en overwegingen kunnen geen gericht advies van een arts vervangen, die jou en/of je kind kent. Elke situatie is anders. Zorg dat je zelf goed weet wat je wil en bespreek eventuele twijfels, maar sta open voor medisch advies. Succes!

Bronnen:

De in de lopende tekst genoemde richtlijnen en websites

Carr, A. (2006). The handbook of Child and Adolescent Clinical Psychology. Routledge, Londen.

Stolp, H. (2010). De levensopdracht van nieuwetijdskinderen. Wie ze zijn en wat ze ons leren. Uitgeverij Ankh-Hermes, Deventer.


adhd-behandelen-e1601890175798.jpg
25/jan/2020

ADHD wordt gezien als een stoornis die in aanleg aanwezig is. Dat betekent dat het niet te genezen is, zoals je bijvoorbeeld hoofdpijn geneest. Behandeling richt zich meestal op het beter leren begrijpen van de ADHD en er anders mee leren omgaan. Op die manier hebben kinderen en volwassenen vaak minder last van de symptomen. Medicatie kan onderdeel uitmaken van de behandeling, maar dat hoeft niet.

Voor het samenstellen van deze informatie heb ik de websites van het Nederlands Jeugd Instituut, en het Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie gebruikt. Zij hebben de meest up to date wetenschappelijke informatie en hun richtlijnen zijn multidisciplinair. Dat betekent dat er niet alleen is gekeken wat één discipline (bijvoorbeeld een psycholoog of psychiater) kan doen, maar juist wat verschillende disciplines kunnen bijdragen aan de behandeling. En hoe ze kunnen samenwerken.

Ik heb ook gekeken bij de multidisciplinaire GGZ richtlijnen voor volwassenen, maar die blijken niet te bestaan! Wel is er een richtlijn van de NVVP, de beroepsvereniging voor psychiaters, maar die gaat vooral over medicatie.

In zo’n geval kun je het beste “analoog redeneren”. Dus de meest uitgebreide richtlijn bestuderen (voor kinderen), en dan kijken wat je daaruit kunt gebruiken voor andere doelgroepen (volwassenen).

Behandeling

Een ADHD-behandeling kan het best bestaan uit verschillende onderdelen. In de richtlijnen worden de volgende onderdelen genoemd:

  1. Psychoeducatie. Dat wil zeggen: uitleg over de stoornis. Hoe beter je immers begrijpt waar je precies mee te maken hebt, hoe sterker je basis. ADHD is een complexe stoornis en je hebt veel meer informatie nodig dan een paar websites met lijstjes met criteria. Goede psychoeducatie houdt in dat je een paar gesprekken de tijd neemt om de ins & outs te leren. Ook bespreek je welke kenmerken je wel en niet herkent. De ene persoon met ADHD is immers de andere niet. Psychoeducatie wordt soms in groepen of cursussen gegeven. Dat kan enorm goed helpen om snel veel informatie en ervaringen te verzamelen. Sommige hulpverleners bieden psychoeducatie online aan. Je kunt de informatie dan rustig in je eigen tijd doornemen en spart op afstand met een behandelaar over wat van toepassing is op jou of je kind.
  2. Ouder- of leerkrachttraining. Dit wordt vooral aangeraden bij kinderen jonger dan 6 of 8 jaar. Waarom moeten de ouders aan de bak en niet het kind? Heel simpel: kinderen zijn impulsief en overzien hun gedrag nog helemaal niet zo goed. Dit geldt zeker voor kinderen met ADHD. Het is niet realistisch om van hen te verwachten dat ze zelf hun gedrag kunnen aanpassen. Kinderen zijn op deze leeftijd wel gevoelig voor wat hun omgeving doet. Hoe meer rust, structuur en duidelijkheid je geeft, hoe gemakkelijker het voor je kind is om dit over te nemen. De ADHD is dan niet weg, maar blijft beperkt tot het “gestructureerde kader”. Deze interventies zijn niet gemakkelijk om te leren. Zeker niet als je zelf misschien ook wat ADHD-trekken bij jezelf herkent en structuur niet je sterke kant is. Neem hier de tijd voor. Het zijn niet zomaar een aantal tips die je inzet, het vraagt echt inoefenen en aanpassen aan wat voor jullie als gezin werkt. Dit prroces is soms frustrerend, maar als je doorzet zul je zien dat het jullie veel oplevert. En als het goed is versterkt het je band.
  3. Kindtherapie. Dit kan dus ongeveer vanaf 8 jaar. Je kunt bijvoorbeeld denken aan:
    1. cognitieve gedragstherapie. Vaak leren kinderen hun impulsen beter onder controle te houden. Meestal wordt er een stop-denk-doe methode gebruikt. Kinderen leren nieuwe strategieën aan om met moeilijkheden om te gaan. Bijvoorbeeld sociale vaardigheden of het plannen van schoolwerk. Het advies is bij deze therapieën om parallel een goede ouderbegeleiding te volgen, zodat je je kind kunt ondersteunen bij het aanleren van nieuwe vaardigheden.
    2. sociale vaardigheidstraining. Dit heeft een beperkt effect bij kinderen met ADHD. Als je toch aan de slag wil met sociale vaardigheden, kun je dat het beste in de natuurlijke omgeving doen (thuis of op school). De ouders moeten intensief betrokken zijn. Kinderen met ADHD leren meestal weinig door ergens eens in de week een uur naartoe te gaan.
    3. Planning- en organisatievaardigheden. Dit is vooral onderzocht voor tieners met ADHD vanaf 12 jaar. Het onderzoek staat nog in de kinderschoenen, maar de eerste resultaten zijn positief. Als problemen met plannen en organiseren op de voorgrond staan in het ADHD-beeld, kan een jongere daar een training in volgen. Het is ook hier belangrijk dat er een gemotiveerde ouder betrokken is.
    4. (Neuro)cognitieve interventies. Bijvoorbeeld neurofeedback en cognitieve trainingen zoals Cogmed of Braingame Brian, om het werkgeheugen te vergroten. De effectiviteit van neurofeedback is nog onduidelijk omdat studies geen eenduidig beeld laten zien. De therapie wordt daarom niet vergoed. Kinderen die wel resultaten behalen, hebben meestal veel sessies nodig (tussen de 25 en de 50). Cognitieve trainingen richten zich bijvoorbeeld op het vergroten van het werkgeheugen en het leren niet op alle impulsen te reageren. Kinderen en jongeren gaan vaak wel wat vooruit op deze gebieden, maar de vooruitgang is niet goed zichtbaar in hun dagelijks leven. Het is daarom niet opgenomen in het standaardaanbod in de jeugdhulp.
    5. Mindfulnesstraining. Er is wat bewijs dat mindfulnesstraining kan helpen bij ADHD-symptomen, maar er is nog te weinig onderzoek om goede uitspraken te kunnen doen.
    6. Psychomotorische therapie, speltherapie, beweeginterventies. Hier is geen systematisch effectonderzoek naar gedaan. Soms wordt het ingezet bij kinderen waar cognitieve gedragstherapie minder goed bij past. Bijvoorbeeld omdat ze het niet leuk vinden, omdat ze te jong zijn of omdat ze een verstandelijke beperking hebben. Als ik uit eigen ervaring spreek vanuit de instellingen waar ik heb gewerkt, zie ik dat een deel van de kinderen er baat bij heeft. Een voordeel is dat het heel ervaringsgericht is (veel doen en voelen) en dat de meeste kinderen het leuk vinden.
  4. Voedingspatroon. Hier schreef ik een apart artikel over. De bottom line: er zijn aanwijzingen dat het werkt. Het voedingspatroon dat in deze onderzoeken geadviseerd wordt, is sowieso goed voor de gezondheid van jou en je kind. Dus in die zin is het win-win.
  5. Medicatie. Meestal wordt er een vorm van methylfenidaat gebruikt, zoals Ritalin of Concerta. Medicatie heeft een groot effect op kernsymptomen zoals hyperactiviteit, impulsiviteit een aandachtsproblemen. Er zitten natuurlijk ook nadelen aan medicijngebruik, die ik apart zal bespreken. Om die reden wordt bij milde tot matige ADHD aangeraden eerst te kiezen voor een van de interventies hierboven. Misschien merk je daar al voldoende effect van. Bij ernstige ADHD is het andersom: eerst medicatie, daarna inzetten op gedrag en omgeving. Dat komt doordat deze kinderen vaak zoveel last hebben van hun ADHD, dat ze niet genoeg oppikken van een therapie.

Wat betreft de kindtherapieën zou ik zeggen: aangezien er geen therapie is die werkt voor alle kinderen, moet je goed kijken naar hoe jouw kind in elkaar zit. En welke benadering bij jullie als ouders past. Je kind heeft je namelijk heel hard nodig in de therapie, want hij leert allemaal nieuwe dingen. Voor kinderen is het moeilijk om dat wat ze leren in een therapie, toe te passen in het dagelijks leven. Doe je zelf al aan meditatie, begrijp je de oefeningen goed en is het voor jou geen probleem om elke dag rustig met je kind te gaan zitten? Dan zou een mindfulnesstraining misschien een goede optie voor jullie zijn. Ben je gestructureerd, word je blij van planningen en to do lijstjes en vind je het leuk om daarin nieuwe strategieën te leren? Dan ligt zo’n training jullie wellicht beter. Alle therapieën worden effectiever naarmate je er zelf actiever mee aan de slag gaat.

Voor volwassenen geldt hetzelfde. Kijk wat bij je past en doe je voordeel met wat je kunt leren uit de verschillende benaderingswijzen. Betrek zo mogelijk je omgeving: een partner, je ouders, een goede vriend of vriendin, een broer of zus… Als er niemand is, is een groepstraining of een maatje misschien iets voor je. Leren leven met ADHD is niet eenvoudig. Kijk ook goed naar hoe je je leven inricht. Een baan waarmee je lekker veel buiten bent, ligt mensen met ADHD bijvoorbeeld vaak beter dan een kantoorbaan. Sommige ADHD’ers vinden het fijn als hun planning voor ze wordt gemaakt en als hun taken overzichtelijk zijn. Binnen dat kader hebben ze minder last van hun ADHD. Hoe beter je jezelf kent, hoe gemakkelijker je als volwassene keuzes kunt maken die bij je passen.


adhd-voeding.jpg
17/jan/2020

Er is veel discussie of voeding een effect heeft op ADHD-symptomen. Het ene onderzoek zegt van wel, het andere vindt geen effect. In dit artikel vat ik de wetenschappelijke stand van zaken voor je samen en zien we dat er – alles studies elkaar – wel degelijk bewijs is dat voeding effect heeft op ADHD-symptomen. Het hoort dan ook bij de behandeladviezen van het Nederlands Jeugd Instituut en ook in de Amerikaanse richtlijnen is het aanpassen van het dieet opgenomen. Je krijgt tips wat voor voedingspatroon je kind zou kunnen helpen en hoe je het aanpakt. Deze manier is mogelijk een alternatief voor ouders die niet voor medicatie kiezen, of voor kinderen die daar niet goed op reageren.  Het aanpassen van een eetpatroon is een langere route die meer van je vraagt als ouder. Aan de andere kant: je hoeft er niet voor naar een dokter en hij heeft geen bijwerkingen. En je zult zien dat het voedingspatroon waar we op uitkomen, sowieso goed is voor de gezondheid van je gezin.

Let op: de bewering “je kunt ADHD genezen door de voeding aan te passen” is te kort door de  bocht. ADHD heeft namelijk meerdere oorzaken en zoals ik eerder beschreef is de behandeling daarom ook op meerdere factoren gericht. De meeste kinderen houden de diagnose tot in de volwassenheid. Het onderzoek wijst er alleen op dat er een effect is op de symptomen en dat maakt het in mijn ogen een optie die de moeite van het verkennen waard is. Raadpleeg bij twijfel altijd een psychiater of psycholoog.

Wat zegt de wetenschap?

Juist omdat studies elkaar soms tegenspreken, is het zinvoller om naar meta-analyses en systematische reviews te kijken. Die vatten de bevindingen van meerdere studies samen. Als het kan laten ze er een statistische analyse op los. Wat betreft voeding kon ik bijvoorbeeld de volgende drie studies vinden:

  • Een gezond voedingspatroon (veel fruit, groente en volkorenproducten) verkleint de kans op ADHD. Ongezonde voedingspatronen (veel verzadigde vetten en suiker) vergroten de kans op ADHD. De onderzoekers benoemen wel dat de onderzoeksopzet niet bij alle onderzoeken even goed in elkaar zat. Er was bijvoorbeeld weinig longitudinaal onderzoek, en randomized controlled trials ontbraken. (Del-Ponte et. al, 2019).
  • Er is aanzienlijk bewijs voor een relatie tussen ADHD en voeding (Woo et. al, 2015). Met name suiker, kunstmatige kleurstoffen en conserveermiddelen vergroten de kans op ADHD. Ook is de onderzoekers opgevallen dat kinderen met ADHD vaak tekorten hebben aan de volgende stoffen: koper, ijzer, zink, magnesium en omega 3 vetten. Hierover in een ander artikel meer.
  • Uit de review van Millichap en Yee (2012) komt naar voren dat een dieet met veel suikers en vetten ADHD verergert, en dat een ADHD-vriendelijk eetpatroon de symptomen kan verlichten. De auteurs adviseren het schrappen van suikers, toegevoegde stoffen, conserveringsmiddelen en allergenen. Omega 3 kan juist toegevoegd worden. Deze auteurs hebben vooral recente, gecontroleerde studies bekeken. Het valt hen verder op dat kinderen met ADHD vaak zink en ijzer wordt gegeven.

Wat betekent dat nu? Het is positief dat alle bovengenoemde studies ongeveer op dezelfde adviezen uitkomen. Dat betekent dat het wetenschappelijk bewijs in dezelfde richting wijst. En dat het dus zinvol is om naar de voeding van een kind met ADHD te kijken. Het is daarbij wel belangrijk om te kijken hoe jouw individuele kind reageert (Schnoll, Burshteyn en Cea-Aravena, 2003). Advies vragen van een diëtist is altijd een goed idee. Maar alles wijst erop dat het zonde is om het voedingspatroon te laten liggen in de behandeling. Het speelt blijkbaar een grote rol!

Nog los van ADHD, is een voedingspatroon volgens deze basisprincipes veel gezonder. Je verkleint er bijvoorbeeld de kans op diabetes, overgewicht en hart- en vaatziekten mee. Ook wordt de bloedsuikerspiegel er stabieler van. Win-win dus!

Wat voor voeding is dan goed?

Je kunt bijvoorbeeld kiezen voor een mediterraan dieet of paleo-dieet. Beide diëten hebben als basis plantaardig voedsel, zoals fruit en groenten, volle granen, bonen, noten en plantaardige oliën. Eet kleine porties, verspreid over de dag. Stukjes fruit of groente mag je altijd als tussendoortje eten. Stap af van die twee stuks fruit per dag die vroeger werden aangeraden: zeven keer fruit of groente op een dag is prima. Rood vlees? Niet meer dan een keer in de week, liever minder. Wel twee keer per week gevogelte en zeker twee keer in de week vis. Voor volwassenen af en toe een glaasje een wijn, verder veel water. Kies waar mogelijk voor biologische opties. Als je ze op een biologische markt koopt of bij de boer, hoeft dat niet duur te zijn. Bovendien verzadigt goed eten meer, dus je hebt er minder van nodig.

Let wel op: het mediterrane voedingspatroon is heel anders dan zoals wij hier ‘Italiaans’ eten met grote pizza’s en borden vol met pasta. Neem daar het liefst niet al te veel van.

Dit voedingspatroon betekent dat je fast food, snoepjes, koekjes, chips en andere zoetigheid van het menu schrapt. Zeker voor kinderen met ADHD-klachten is dit belangrijk. Deze voedingsmiddelen bevatten veel “lege” calorieën, maken de bloedsuikerspiegel wiebelig en zijn trouwens ook duur.

Iets anders wat je kunt proberen is een eliminatiedieet. Hierbij onderzoek je of het drukke gedrag van je kind wordt veroorzaakt door eten waar het overgevoelig voor is. Googel maar eens op Restricted Elimination Diet of Few Foods Diet, of kijk op deze Belgische website voor de toepassing bij ADHD. Het idee is dat je eerst een week of vijf alleen maar voedsel geeft waar (bijna) niemand allergisch voor is. Bijvoorbeeld lam, broccoli, bloemkool, spruiten, wortels, erwten, olijfolie, witte aardappelen, rijst, appels, peren of bananen. Daarna kun je langzaamaan voedingsmiddelen erbij geven totdat je een effect ziet. Dit is best moeilijk om in je eentje te doen, maar een diëtist kan je ook hierbij helpen.

Let vooral op de reactie van je kind op voedingsmiddelen waar veel mensen allergisch of overgevoelig voor zijn: koemelk, soja, tarwe, eieren, pinda’s, zeevruchten en chocolade.

Tips

  • Suiker schrappen uit een kinderdieet is niet altijd gemakkelijk, want ze vinden dingen met suiker meestal juist lekker. Een rondje googelen levert je veel informatie op over lekkere alternatieven. De meeste mensen wennen binnen een paar weken aan een suikervrij (of suikerarm) voedingspatroon.
  • Gedrag goed monitoren is best lastig. Probeer het eens met behulp van een schema. Daarin kun je per dag bijhouden wat je kind precies heeft gegeten en hoe zijn gedrag was.
  • Geef het goede voorbeeld. Eet samen. Laat zelf ook de “foute” voedingsmiddelen staan.
  • Beweeg veel. Dat past bij het mediterrane dieet en is sowieso een goed idee voor kinderen met ADHD.

Bronnen:

Del-Ponte, B., Callo Quinte, G., Cruz, S., Grellert, M. en Santos, I.S. (2019). Dietary patterns and attention deficit/hyperactivity disorder (ADHD): A systematic review and meta-analysis. Journal of Affective Disorders, 252, 160-173.

Millichap, J.G. en Yee, M.M. (2012). The diet factor in attention-deficit/hyperactivity disorder. Pediatrics. Vol.129(2), 2012, pp. 330-337.

Schnoll, R. Burshteyn, D., Cea-Aravena, J. (2003). Nutrition in the treatment of attention-deficit hyperactivity disorder: A neglected but important aspect. Applied Psychophysiology and Biofeedback. Vol.28(1), 2003, pp. 63-75

Woo, H.D, Kim, D.W., Hong, Y-S, Kim, Y-M, Seo, J-H, Choe, B.M., Park, J.H., Kang, J-W, Yoo, J.H., Chueh, H.W., Lee, J.H., Kwak, M.J. en Kim, J. (2015). Dietary patterns in children with attention deficit/hyperactivity disorder. In: Croft, C. (ed). Prenatal and childhood nutrition: Evaluating the neurocognitive connections. (pp. 213-230). xxx, 418 pp. Waretown, NJ, US: Apple Academic Press; US.


adhd2.jpg
12/jan/2020

Soms vragen mensen me of ADHD niet gewoon een “hype” is, of een modeverschijnsel. Geen gekke vraag, want het is veel bekender dan vroeger. In sommige schoolklassen lijkt het wel ADHD-diagnoses te regenen. Het antwoord vraagt wat nuance: nee en ja. Achter het hype-achtige uiterlijk van ADHD schuilt een structureel, blijvend fenomeen. Hoewel het belangrijk is om kritisch te blijven kijken naar de manier waarop we kinderen met ADHD-gedrag typeren, gaat het wel degelijk om kinderen in nood. En dat betekent dat we ze moeten helpen.

Nee, geen modeverschijnsel

Aan de ene kant is het verschijnsel ADHD niet nieuw. Dat wil zeggen: kinderen met dit gedrag zijn al heel lang in beeld. Ongeveer sinds 1890. Historicus Timo Bolt schreef er een boeiend boekje over: Van Zenuwachtig tot Hyperactief. Hij beschrijft daarin dat de kijk op deze kinderen met de tijdsgeest meeveranderde.

Van 1890 tot 1930 werd gesproken van zenuwachtigheid (in Duitsland), instabiliteit (in Frankrijk) of van een moreel-ethisch defect (in Engeland). Vooral bij deze laatste groep werden ‘lastige’ kinderen nog niet met medische termen aangeduid. De problemen die ze hadden, werden gezien als opvoedkundig of zedelijk. Ze zouden dus door de ouders, andere opvoeders en eventueel een priester moeten worden opgelost. Niet door een arts. Deze kinderen moest geleerd worden om (verkeerde) driften, impulsen en neigingen te beheersen. Het ging daarbij vooral om maatschappelijke invloeden. Dit begon te veranderen in de periode daarna.

In de periode van 1930 tot 1960 had men het niet langer over een morele achterstand, of ‘achterlijkheid’ maar over een functionele. Er werd uitgegaan van een stoornis in de aandachtsbepaling, waardoor kinderen ongeremd en impulsief waren. De ongedurigheid zou dus aangeboren zijn, maar de invloed van omgevingsfactoren werd al heel belangrijk gevonden. Het ging niet meer om maatschappelijke invloeden, maar om de gezinssituatie. Dit onder andere onder invloed uit de psychoanalyse. Deze kinderen hadden leiding nodig. Ook psychiaters, onderwijzers en psychologen kregen meer bemoeienis met deze kinderen. Dat komt doordat in deze tijd onderwijs en geestelijke gezondheidszorg dichter bij elkaar kwamen te staan.

In de periode van 1960 tot 1985 kwam vanuit Amerika een nieuwe term overgewaaid: MBD, oftewel Minimal Brain Damage of (ook wel Minimal Brain Dysfunction). Het ging nog steeds over ongeveer dezelfde groep kinderen, maar de gedragsproblemen werden nu nu niet meer psychoanalytisch geduid, maar organisch. Dus lichamelijk, of neurologisch. Het concept was omstreden. Bij de oorspronkelijke MBD-kinderen was vastgesteld dat ze een hersenbeschadiging hadden die leidde tot probleemgedrag, maar dat betekent niet dat je omgekeerd hetzelfde kunt zeggen. Niet alle kinderen met probleemgedrag hebben immers een hersenbeschadiging. Om het begrip zo breed te gaan toepassen, leek dus wat voorbarig. In Europa bestond echter al snel een medisch verklaringsmodel, náást het vertrouwde psychoanalytische kader. Oftewel: er moest vroeg onderkend worden wat er met het kind aan de hand was, zodat er geen ongunstige wisselwerking tussen kind en omgeving kon ontstaan.  Zeker vanaf 1975 leek het aantal MBD-kinderen snel toe te nemen. Ook dat kun je verklaren uit maatschappelijke ontwikkelingen. Het is de moeite waard om het boek van Bolt te lezen om dit beter te begrijpen.

Na pakweg 1985 ging het snel. In 1980 werd MBD in het diagnostisch handboek, de DSM, vervangen door ADD (Attention Deficit Disorder without Hyperactivity) en ADDH (Attention Deficit Disorder with Hyperactivity). In de nieuwe versie van de DSM in 1987 werd ADHD geïntroduceerd en in de jaren negentig werd het bekender in Nederland. Deze kinderen kregen steeds vaker methylfenidaat (zoals Ritalin) voorgeschreven. Je kunt dat zien in het kader van een ‘pendelbeweging’ in de psychiatrie in deze periode. Hierbij werd vaker een medsich-biologisch model gebruikt. Niet voor niets werden de jaren negentig ook ‘het decennium van het brein’ genoemd. Vanaf 1985 kreeg bovendien research een steeds grotere plaats in het vakgebied, met een explosie aan ADHD-onderzoek tot gevolg. Hoewel het bij hersenonderzoek vaak ging om kleine, gemiddelde afwijkingen waarmee je niet goed een onderscheid kon maken tussen mensen met en zonder ADHD, werd het toch als ziekte bestempeld. Let er daarbij op dat de DSM in veel opzichten sterk cultureel en historisch gekleurd is. En dat de term ADHD (als DSM-categorie) alleen iets zegt over gedrag, en niet over de oorzaak. Wat er precies ‘mis’ zou zijn in de hersenen van mensen met ADHD, is nog steeds onopgehelderd.

Je zou dus kennen zeggen dat de groep kinderen met ADHD-achtig gedrag al zo lang bestaat, dat je niet van een “hype” kunt spreken. Maar: sinds de invoering van de DSM wordt het wel vaker gesteld en meer gezien als een diagnose, oftewel een echte ziekte.

Ja, wel een modeverschijnsel

Zoals Bolt in zijn boek erkent, heeft de opkomst van ADHD sinds de jaren negentig wel degelijk mode-achtige trekken. Hij noemt bijvoorbeeld de rol van de media. Door de grote media-aandacht verdwenen de stoornis en het ziektebeeld uit de taboesfeer. ADHD werd in de televisieprogramma’s en artikelen namelijk gespresenteerd als een ‘normale’ behandelbare kinderaandoening. Ouders en leerkrachten konden eerder signaleren dat een kind mogelijk ADHD had en eerder naar een arts gaan. Vervolgens nam het aantal ADHD-diagnoses en behandelingen met methylfenidaat toe. De werkzaamheid van methylfenidaat versterkte vervolgens het idee van ADHD als een diagnostische categorie (spiraaleffect).

Een ander idee is dat ADHD een ziekte is van de ‘moderne samenleving’ met al zijn prikkels en gestresste, werkende ouders. Het is de vraag of dit terecht is. Middeleeuwse steden waren een stuk prikkelrijker (herrie, stank) en er was minder quality time voor kinderen. Bovendien klagen mensen al sinds het begin van de jaartelling over de vorige generatie, oftewel ‘de jeugd van tegenwoordig’. Het enige wat je zou kunnen zeggen, is dat er in de huidige samenleving hogere eisen worden gesteld aan kinderen. Kinderen die wat kwetsbaarder zijn, komen daardoor wellicht sneller in moeilijk vaarwater terecht. Deze kinderen en hun ouders hebben bovendien te maken met hoge idealen van ‘maakbaarheid’.

Tot slot wijst Bolt op de opmars van ADHD in een tijd van medische vooruitgang en medicalisering. Ook mondige ouders die actief vragen om een diagnose, spelen een rol. Maar ook de afname van het aantal mannelijke leerkrachten in het onderwijs en de mogelijke benadeling van jongens. Bolt heeft veel van de medicaliseringsliteratuur gelezen en wil daar wel een kanttekening bij maken:  het zijn wel erg schematische en algemene betogen, waarbij allerlei verbanden erg gemakkelijk gelegd en onvoldoende geproblematiseerd worden.

Hoe dan ook

Of ADHD nou een modeverschijnsel is of niet, benadrukt Bolt dat het wel degelijk gaat om kinderen in nood. Je kunt het probleem niet zomaar wegzetten als druk, normaal jongensgedrag waarmee softe juffen en slappe ouders geen raad weten. En het blijft belangrijk om te kijken wat we voor deze kinderen kunnen doen, of dat nou medicatie is of iets anders. En daar kan ik, op basis van mijn ervaring met deze kinderen in de praktijk, alleen maar hartgrondig mee instemmen.


© Psychologie Vandaag, kenniscentrum en online therapie 2018. Alle rechten voorbehouden.