Laden. Even geduld aub.

Telefoon0683775936EMAIL: linda [@] psychologievandaag.nlOPENINGSTIJDEN:Maandag-vrijdag 09:00-17:00
autisme3.jpg
11/jan/2021

Deze maand vertel ik je alles wat je nog niet wist over autisme. Het vorige artikel beschreef wat autisme eigenlijk is. Kort gezegd: een zeldzame stoornis in het sociaal begrip, de communicatie en de verbeelding. De ontwikkeling verloopt daardoor anders, of ongelijker, dan bij de meeste mensen. Mensen met autisme zijn vaak (prikkel)gevoelig, hebben moeite met veranderingen en houden van routine en dingen die hetzelfde zijn. Ze kunnen meestal heel goed dingen uitdenken en zijn vaak zorgvuldig en eerlijk.

Autisme valt in de DSM-5 onder de neurobiologische ontwikkelingstoornissen. Dat wil zeggen dat ervan wordt uitgegaan dat er een oorzaak is in het brein. Hoe het brein van iemand met autisme precies werkt, weten we echter niet. Daarvoor is de stoornis te veelvormig en is het hersenonderzoek nog niet ontwikkeld genoeg.

Kun je autisme genezen?

Deze kijk op autisme betekent dat je de stoornis niet kunt genezen, in die zin dat iemand er helemaal van af komt. Wel kun je iemand weer helpen om in ontwikkeling te komen, en zo min mogelijk last te hebben van zijn autisme. Een behandeling moet altijd op maat gemaakt worden. Wat werkt bij de ene persoon met autisme en zijn gezin, werkt niet bij de ander.

Behandelonderdelen

Het Nederlands Jeugdinstituut ontwerpt in Nederland de behandelrichtlijnen voor kinderen en jongeren. Voor volwassenen zijn er GGZ-richtlijnen ontwikkeld. Voor autisme zijn beide richtlijnen samengevoegd. Heel logisch eigenlijk, aangezien het een levenslang probleem betreft.

In de richtlijnen staan de volgende behandelonderdelen. Ze zijn niet altijd allemaal nodig. Het idee is dat je samen met behandelaar kiest wat nodig is in jouw situatie, of in die van je kind. Voor jongere kinderen zal het accent anders liggen dan voor oudere kinderen of volwassenen. Hoe jonger de persoon, hoe meer de behandeling gericht zal zijn op de omgeving (gezin, school, enzovoort) en hoe minder inzicht en verandering van het kind wordt verwacht.

1. Alle ins & outs weten

De eerste stap is psycho-educatie, oftewel uitleg over wat autisme inhoudt. Sommige instellingen bieden dit aan in groepen, maar je kunt vaak ook één op één met een behandelaar werken. Belangrijk is dat je goede informatie krijgt over wat het jouw autisme of dat van jouw kind inhoudt en wat het betekent voor het functioneren. Het is verstandig om veel door te vragen en zelf ook zoveel mogelijk op te zoeken over het onderwerp. Met meer kennis sta je sterker. Dit onderdeel is ontzettend belangrijk: het vormt de basis voor alle overige interventies. Jullie denken tijdens de psychoeducatie ook vast na over het je toekomstperspectief, of dat van je kind. .

 

2. Vertalen naar wat dit betekent voor je leven

In de behandelrichtlijn heet dit “versterken van zelfmanagement en relatie met de omgeving”. Dat betekent dat jij en je gezin leren het autisme te begrijpen, te accepteren en een plek te geven in jullie leven. Dit is een ingewikkeld proces dat vaak ook schommelt door de tijd heen. Autisme kan zich immers op verschillende leeftijden uiteenlopend laten zien, of andere problemen geven. Waar het bij dit onderdeel om gaat is dat jullie zelf de regie nemen over jullie leven samen. Dat doe je bijvoorbeeld door te leren anders met problemen om te gaan, handvatten te ontwikkelen voor in het dagelijks leven, en de omgeving aan te passen zodat deze gestructureerd en voorspelbaar is. Problemen met plannen en organiseren (de zogeheten executieve functies) verdienen vaak extra aandacht.

 

3. Werken aan de dingen waarin ontwikkeling mogelijk is

Dat kan met gerichte interventies, bijvoorbeeld psychologisch, therapeutisch, stressreducerend en medicamenteus. In deze therapieën is vaak aandacht voor het herkennen van de eigen grenzen en emoties. Oudere kinderen, hun ouders en volwassenen met autisme kunnen leren omgaan met onduidelijkheden, prikkels en stress, en ze kunnen beter leren communiceren. Er zijn heel veel verschillende therapieën. Sommige maken gebruik van taal en nadenken, maar andere zijn non-verbaal. Bijvoorbeeld door gebruik te maken van spel voor kinderen, of kunstzinnige of bewegingsgerichte methodieken voor volwassenen. Het is ook mogelijk gezinstherapie of relatietherapie te volgen. Medicijnen worden weleens ingezet om bijkomende problemen te verminderen zoals hyperactiviteit, aandachtstekort, angst-, dwang- of stemmingsstoornissen. Er bestaat vooralsnog geen medicatie die de kernsymptomen van autisme vermindert. Medicatie dient altijd deel uit te maken van een psychologische behandeling en moet nooit “los” worden ingezet.

4. Een plan maken voor gebieden waarop geen ontwikkeling mogelijk is

Hiervoor is vaak specifieke expertise en ondersteuning nodig. Wanneer duidelijk is dat er voor langere tijd hulp nodig is, kan overwogen worden om op zoek te gaan naar een aangepaste, beschermde leefomgeving wat betreft wonen, onderwijs en/of werken met meer of minder intensieve persoonlijke begeleiding. Vaak is in deze situaties sprake van een combinatie van behandelen en begeleiden. Ook als er sprake is van comorbiditeit (meerdere stoornissen tegelijk) is er vaak specifieke expertise nodig.

 

5. Aan het roer staan van je eigen leven

Sommige mensen met autisme, maar zeker niet allemaal, hebben levensloopbegeleiding nodig en steun bij participatie en herstel. Bij autisme kunnen vragen ontstaan in verschillende levensfasen waarvoor behandeling en/of begeleiding nodig is. Deze interventies zijn gericht op herstel: een situatie waarin de patiënt geen patiënt blijft, maar het heft weer in eigen hand neemt, samen met zijn gezin. Participatie gaat over wat daarvoor nodig is. Kortom: wat is nodig om mee te doen in de maatschappij op een manier die bij iemand past? En wat heeft iemand nodig om weer zelf aan het roer van zijn eigen leven te komen staan?

 

Waar kun je de behandeling volgen?

Waar je behandeling volgt, hangt af van je eigen voorkeur en van de aard en ernst van het autisme. Soms kan dit in een generalistische basis GGZ (kleine psychologenpraktijken), maar soms is er meer specialistische hulp nodig. Weet je niet waar je moet beginnen? Leg de vraag eens voor aan de praktijkondersteuner (POH-GGZ) bij de huisarts. Die is helemaal thuis in welke praktijken en instellingen er bij jou in de buurt zitten en kan samen met jou verhelderen welke hulp het beste bij jou en je gezin past. Soms kan dit ook iemand van het wijkteam zijn.


autisme.jpg
04/jan/2021

Deze maand vertel ik je alles wat je nog niet wist over autismespectrumstoornissen. We beginnen bij het begin: wat is autisme, en wat is het niet?

Wat is autisme?

De term autisme wordt in het dagelijks leven vaak gebruikt voor kinderen of volwassenen die over weinig sociale vaardigheden beschikken, en die dingen graag op een bepaalde manier willen hebben. Dat klopt ongeveer. Mensen met autisme kunnen zich moeilijk inleven in anderen en slaan daardoor vaak de plank mis in sociaal contact. Daarnaast houden ze van regelmaat: ze hebben moeite met verandering, kunnen star of rigide zijn, en in nieuwe of onoverzichtelijke situaties zijn ze snel overprikkeld.

Autisme is een zeldzame stoornis: het komt slechts voor bij 1% van de bevolking. Het is een stoornis die op een spectrum bestaat, van licht naar zwaar. Daarom wordt ook wel van een autismespectrumstoornis gesproken, of ASS. In de DSM-5 wordt autisme onder de neurobiologische ontwikkelingsstoornissen geschaard. Neurobiologisch betekent dat het zijn oorsprong vindt in de hersenen. En ontwikkelingsstoornis wil zeggen dat we ervan uit gaan dat de ontwikkeling van iemand met autisme atypisch verloopt. Dus: anders dan die van de meeste anderen. Maar hoe dan?

Autisme als vertraagde ontwikkeling

De beste definitie die ik ooit ben tegengekomen, is die van Delfos (2018), een Nederlandse autismespecialist. Zij legt uit dat de ontwikkeling bij mensen met autisme op het niveau van de hersenen op het ene gebied sneller verloopt dan gemiddeld, en op het andere gebied langzamer. Mensen lopen meestal aan tegen de gebieden waarop ze langzamer zijn, omdat ze daardoor minder goed kunnen meekomen. Deze gebieden zijn:

  1. de sociale omgang met anderen. Mensen met autisme kunnen zichzelf en de eigen gevoelens niet goed begrijpen en verwoorden, en begrijpen daardoor ook de ander niet. Gedrag van andere mensen is onvoorspelbaar en kan daarom beangstigend zijn. Ze overzien situaties niet, kunnen zich verliezen in details en hebben dus moeite met flexibel schakelen. Het helpt niet mee dat mensen met autisme vaak (ongeveer 40%) overgevoelige zintuigen hebben. Ze kunnen bijvoorbeeld niet tegen fel licht of harde geluiden.
  2. Ongeveer de heft van de kinderen met autisme heeft een trage taalontwikkeling. Oogcontact kost ze vaak moeite en er is weinig sprake van wederkerigheid, of over-en-weer contact. Mensen met autisme kunnen soms eindeloos doorpraten over iets wat ze zelf interessant vinden, zonder te merken dat de ander afhaakt. Hun taalgebruik kan eigenaardig zijn – bijvoorbeeld heel formeel, zakelijk of overbeleefd. Mensen met autisme moeten vaak goed nadenken over de communicatie met anderen en het kost veel energie.
  3. Kinderen met autisme laten meestal weinig fantasiespel zien. Door dit weinig te doen, ontwikkelen ze bepaalde vaardigheden niet. Juist in spel oefen je immers met rollen, met doen alsof, met je verplaatsen in anderen. Mensen met autisme hebben eerder een voorkeur voor voorwerpen, en vaak voor techniek. Ze hebben veel herhalingen in hun gedrag en deze nemen vaak obsessieve vormen aan, zeker wanneer er stress bestaat. Rituelen brengen orde in hun wereld aan en ze verdragen het daarom vaak niet als die orde verstoord wordt.

Mensen met autisme blinken echter ook uit in dingen. Ze zijn bijvoorbeeld meesterlijk in het uitdenken en begrijpen van iets, en ze zijn ontzettend eerlijk en zorgvuldig.

Deze definitie is nog heel breed. Dat komt doordat de ene persoon met autisme simpelweg de andere niet is, maar ook doordat er nog geen volledig verklaringsmodel is voor autisme. We weten dus een heleboel dingen nog niet.

Wat is autisme in ieder geval niet?

Autisme wil dus in ieder geval niet zeggen dat iemand zich niet meer kan ontwikkelen. Het betekent alleen dat de ontwikkeling trager verloopt dan je zou verwachten op basis van iemands leeftijd. Sluit je aan bij iemands ontwikkelingsniveau, dan kan ook iemand autisme vaak weer in ontwikkeling komen. Dit vraagt de juiste expertise, een aandachtige en steeds goed afgestemde begeleiding, en bovenal vertrouwen in de persoon. Dat betekent niet dat je autisme kunt genezen – zoals we autisme nu begrijpen is het een kenmerk van de persoon, en is er geen medicijn of behandeling die het wegneemt. Maar het betekent wel dat de benadering heel veel uitmaakt voor de groei die iemand met autisme kan doormaken en, belangrijker nog, hoe hij zich voelt.

Meer lezen

De websites van het Nederlands Jeugd Instituut, Thuisarts en oudervereniging Balans Digitaal hebben goede, leesbare informatie over autisme.

Bron:

Delfos, M. (2018). Een vreemde wereld, tiende druk. Uitgeverij SWP, Amsterdam.


verzekeringen.png
23/dec/2020

In 2021 blijven de regels voor vergoeding van psychologische zorg hetzelfde als de afgelopen jaren. Een paar verzekeraars springen eruit als het gaat om de voorwaarden. Nog aan het twijfelen of je bij je huidige verzekeraar blijft, of overstapt? Dan is het de moeite waard om je er eens in te verdiepen.

Let op: onderstaande geldt voor volwassenen. Jeugdzorg (18-) valt onder de jeugdwet en wordt nooit vergoed door de zorgverzekeraar.

Basisverzekering

Psychologische zorg wordt vergoed vanuit de basisverzekering, maar alleen als er sprake is van een DSM-classificatie. Bijvoorbeeld een depressie, angststoornis, autisme, ADHD, persoonlijkheidheidsstoornis enzovoort. Enkele “lichtere” classificaties zijn uitgesloten, zoals een aanpassingsstoornis, slaapstoornis en (soms) een specifieke fobie. En dan zijn er nog psychische klachten waarvan de behandeling niet vergoed wordt, zoals werk- of relatieproblemen en levensfaseproblematiek. Burn-out is geen DSM-classificatie, daarom komt de behandeling daarvan ook niet voor vergoeding in aanmerking.

Als jouw huisarts ook denkt dat er sprake is van klachten die een DSM-classificatie kunnen zijn, kan hij je doorverwijzen. Dit is nodig voor vergoeding. Een verwijsbrief is 9 maanden geldig. Je kunt worden doorverwezen naar:

  • De generalistische basis GGZ (vroeger de eerstelijnspsycholoog). Vaak is dit een psycholoog die in een eigen praktijk of in een gezondheidscentrum werkt. Je kunt er terecht met matige tot ernstige, niet-complexe (DSM-)klachten. Complex betekent dat er veel tegelijk speelt. Een traject in de GB-GGZ duurt meestal enkele weken tot maanden.
  • De gespecialiseerde GGZ (vroeger de tweede lijn). Dit zijn meestal grotere GGZ-instellingen, maar soms vind je specialistische zorg ook in kleinere praktijken. Je kunt hier terecht met ernstige, complexe klachten. De behandeling duurt vaak wat langer en kan multidisciplinair van opzet zijn.

Let op dat als je je eigen risico nog niet hebt betaald, de zorgverzekeraar dit bij je in rekening zal brengen.

Lichtere klachten

Lichtere klachten en toch hulp? Dan kun je:

  • Kiezen voor een aanvullende verzekering die ook psychologische zorg biedt bij lichtere diagnoses. Bijvoorbeeld van ONVZ, PNO-zorg, VvAA of Zorg en Zekerheid. HIER vind je een overzicht. ONVZ en VvAA bieden bovendien vrije  artskeuze. Dat betekent dat je er niet op of hoeft te letten of de psycholoog van jouw keuze een contract heeft of niet.
  • Kiezen voor een aanvullende verzekering die psychosociale therapie vergoedt. Psychosociale therapie wordt geboden door therapeuten die soms psycholoog zijn, maar ook HBO-geschoold kunnen zijn. Meestal moeten ze zijn aangesloten bij een beroepsvereniging zoals de NVPA of NFG; je vindt de precieze voorwaarden in de polis. Zie ook DIT overzicht. De vergoeding is niet eindeloos, maar als je behoefte hebt aan een aantal gesprekken om je weer op weg te helpen, kan het een goede oplossing zijn.
  • Een aantal gesprekken vragen bij de praktijkondersteuner GGZ. Dat valt onder huisartsenzorg en wordt dus altijd vergoed. Soms is de praktijkondersteuner een psycholoog, maar het kan ook een HBO-opgeleide begeleider of behandelaar zijn. Vraag er eens naar bij je huisarts. Een POH-GGZ kent trouwens ook de GGZ-zorg in jouw omgeving goed en kan je gericht doorverwijzen.
  • In het geval van burn-out bij je manager of bedrijfsarts informeren of de werkgever een traject kan bekostigen. Sommige doen dit.
  • Nagaan of er in jouw specifieke situatie extra mogelijkheden zijn voor hulp. Veel universiteiten en hogescholen hebben bijvoorbeeld een studentenpsycholoog. Heb je een medisch probleem waardoor je psychische klachten ontwikkelt? Dan kun je soms in het ziekenhuis terecht bij een medisch psycholoog. En bij bepaalde chronische problemen is het mogelijk om psychologische hulp vanuit de Wmo (wet maatschappelijke ondersteuning) te krijgen.

Succes!


coronadip.jpg
16/dec/2020

Met deze nieuwe lockdown slaat de uitzichtloosheid toe. Wat duurt het lang, iedereen begint een beetje op te raken, wat kunnen we nog doen om het draaglijk te houden? Deze blog helpt je op weg.

Algemene adviezen

Goed voor jezelf zorgen is belangrijker dan ooit. Deze website staat vol met tips. Je vindt een overzicht HIER. Bottom line: eet en drink goed. Kleed je aan, draag iets anders dan je pyjama. Hou een dag- en nachtritme vast. Zorg dat je beweging krijgt: ga naar buiten voor een wandeling of een rondje hardlopen, of dans in je woonkamer. Maak contact, zeg iets aardigs tegen iemand. Het mag ook online. Knuffel iemand als je dat kan. Kijk of je kleine doelen kunt stellen per dag. Beantwoord een e-mail, ruim de vaatwasser in, werk aan het boek/schilderij/schaakspel waar je mee bezig was. Maak in ieder geval een plan voor de dag, voorkom dat je passief wordt. Rust wel uit als het je teveel wordt en doe voldoende dingen die je ontspannen. Wacht even en verdraag het. Als dat allemaal niet werkt, praat er dan met een therapeut over. Er zijn ook veel telefonische en online hulpdiensten waar je contact mee kunt opnemen, met heel capabele vrijwilligers die je graag te woord staan.

Radicale acceptatie

Bovenstaande adviezen zijn altijd goed, ook in een normale situatie. Alleen zitten we niet in een normale situatie. We leven onder vreemde, beangstigende en voor veel mensen ook eenzame omstandigheden, waarvan het einde nog niet in zicht is. Het is niet zo gek dat dit intense negatieve emoties op kan roepen.

Ik wil graag een techniek uitlichten die uit de Dialectische Gedragstherapie (DGT) komt, ontwikkeld door Marsha Linehan. DGT leert mensen allerlei manieren om met intense emoties om te gaan, ook wel crisisvaardigheden genoemd. Een ervan is radicale acceptatie, en ik denk dat we juist deze op dit moment goed kunnen gebruiken.

Radicale acceptatie betekent dat je de realiteit volledig accepteert zoals hij is en je verbittering erover loslaat. Vechten tegen de realiteit leidt alleen maar tot meer pijn. Zelfs als je hem in de toekomst wil veranderen, zul je hem eerst moeten accepteren. Dat is geen gemakkelijke vaardigheid – DGT is niet voor niets een volledige therapie. Maar misschien kunnen onderstaande oefeningen je op weg helpen. De pandemie is eigenlijk de ultieme oefensituatie, want we hebben het er voorlopig mee te doen. Als we hem niet accepteren, maken we het onszelf oneindig veel moeilijker dan het is. Ben je al bekend met mindfulness of meditatie? Dan zal onderstaande je niet vreemd voorkomen. Toch heeft DGT net andere accenten, dus het is een leuke aanvulling.

Succes met de oefeningen. Kijk ook eens op DEZE website voor meer uitleg en DGT-tools.

Oefening 1: accepteren wat er gebeurt

Het is aan te raden om onderstaande stappen uit te schrijven. Kies een rustig moment uit waarop je niet gestoord wordt.

Stap 1: denk aan de gebeurtenis die je moeilijk kunt accepteren. Beschrijf de situatie en leg uit wat het voor jou moeilijk maakt. In dit geval: is het het vele thuiszitten? Heb je je studie moeten onderbreken en heb je daar moeite mee? Ben je bang voor besmetting? Vind je de mondkapjes ingewikkeld? Mis je je naasten?

Stap 2: beschrijf wat er is gebeurd. Schrijf alleen de feiten op, niet jouw oordeel daarover. Hoe is deze situatie voor jou ontstaan? Wat is je overkomen en in welke volgorde? Hoewel we allemaal met dezelfde pandemie te maken hebben, kan het toch zijn dat elementen hiervan voor mensen verschillend zijn.

Stap 3: ga na welke gevoelens er in je leven. Ga rustig zitten, haal een paar keer kalm adem en observeer wat er gebeurt als je aan de situatie denkt. Let op je lichaam: krijg je er hoofdpijn van, wordt je hartslag sneller? Of is het alleen een emotionele reactie? Welke precies? Probeer het verschil te voelen tussen bijvoorbeeld frustratie, angst, verdriet of teleurstelling. Blijf er even bij, laat het er zijn. Je hoeft het niet te veranderen. Omarm het, als het ware. Gebruik ook hier je ademhaling om bij het gevoel te blijven.

Stap 4: maak een plan. Denk na over hoe je de situatie voor jezelf kunt veranderen. Wat kun je wel doen? In de eerste lockdown zag je iedereen meteen creatief te werk gaan. Huizen en tuinen werden aangepakt en er sprongen allerlei online initiatieven uit de grond. Bedenk wat jou zou kunnen helpen. Is er een hobby die je altijd al wilde oppakken? Hoe kun je veilig met mensen afspreken, en wie wil je het liefst zien? Zijn er online cursussen waardoor je je kunt ontwikkelen? Je hebt vast al veel uit de kast getrokken het afgelopen jaar, maar sta er nog eens bij stil en maak een plan, al is het maar voor de komende paar weken.

Let op: je hoeft het niet eens te zijn met de situatie. Het gaat erom dat je steeds het huidige moment accepteert zoals het komt, omdat het nu eenmaal zo is. Dat is alles.

Oefening 2: jezelf toespreken

Soms hebben we een hoop emoties en moeten we onszelf even bij de hand nemen. Dat kun je doen door jezelf in gedachten toe te spreken. In DGT heten dat “coping statements”. Coping is zoiets als ergens mee omgaan. Het brein is krachtig en je kunt jezelf met je denken een heel eind op weg helpen. Schrijf een aantal gedachten op die waar zijn en die jou helpen, zodat je ze kunt gebruiken wanneer je het even moeilijk hebt. Hang ze op post-its door je huis, zet ze in je telefoon of plak ze op je koelkast. Bijvoorbeeld:

  • Ik heb enkel controle over het hier en nu.
  • Knokken tegen mijn gevoelens maakt ze alleen maar sterker.
  • Dit moment is zoals het is, ook als ik het even niet leuk vind.
  • Mijn emoties zitten hoog, maar ik red het wel.

En een van mijn persoonlijke favorieten, recht uit de koker van Linehan zelf:

  • Hetgeen wat ik het liefste wil, heb ik nu even niet, maar dat is geen wereldramp.

Mocht je Linehan eens willen horen over hoe zij het heeft geleerd, dan is deze (Engelse) video misschien iets voor je. Altijd inspirerend om de meesters aan het woord te horen!

 


misverstand-psychotherapie.jpg
13/dec/2020

Eind vorig jaar las ik een opiniestuk van Flip Jan van Oenen (arts en systeemtherapeut) in de Volkskrant, getiteld Beter dan nu wordt de psychotherapie niet. Hij zette daarin uiteen dat de verwachtingen van therapie en van de GGZ te hoog gespannen zijn en dat sommige problemen nu eenmaal niet door een therapeut op te lossen zijn. Zo’n bewering lees je niet vaak – meestal gaat het er juist over dat er méér therapie moet worden ingezet. Mijn interesse was gewekt! Van Oenen promoveerde op de effectiviteit van psychotherapie en schreef een goed leesbaar boek over het onderwerp, getiteld Het misverstand psychotherapie. Ik mocht het recenseren.

Het misverstand psychotherapie gaat over de mythe dat als iemand met problemen maar in therapie gaat, alles kan worden opgelost. Deze verwachtingen kloppen echter niet met wat we weten uit onderzoek: therapie werkt, maar niet bij iedereen. Ongeveer een derde van de mensen heeft er geen baat bij.

De moeilijke boodschap van ‘verdragen’

Waarom blijft dit beeld dan toch in stand? Van Oenen beschrijft een mix van drie componenten:

  1. doorgeschoten marktideologie. Sinds de invoering van marktwerking in de zorg, moeten instellingen met elkaar concurreren voor hun voorbestaan. Ze worden dan bijna gedwongen om allerlei mooie uitkomsten te beloven; zorg is zo ongeveer een “product” geworden.
  2. wetenschappelijke blikvernauwing. Natuurlijk wordt er veel wetenschappelijk onderzoek gedaan naar welke therapieën werken. De gouden standaard is daarbij de randomized controlled trial, waarin een behandelprotocol wordt uitgevoerd met een niet al te complexe groep cliënten en de uitkomst wordt gemeten met een klachtenvragenlijst. In de vertaalslag naar de praktijk loop je dan tegen een aantal problemen aan. Een protocol is bijna nooit tot op de letter uitvoerbaar. De meeste mensen zijn wel En een klachtenvragenlijst is maar een heel beperkte uitkomstmaat.
  3. menselijke tekortkomingen. Bijvoorbeeld de wens van therapeuten, wetenschappers, verzekeraars en de politiek om zekerheid te bieden in plaats van onmacht toe te geven. En aan de andere kant ook de verminderde tolerantie voor negatieve gevoelens – waarvan je ook zou kunnen zeggen dat die er nou eenmaal bij horen in het leven.

Alle drie deze gedachten zijn niet nieuw. Wat ik verfrissend vond aan het boek is dat Van Oenen niet alleen in heldere bewoordingen uitlegt wat er niet aan werkt, maar ook hoe het wel kan werken. Hij stelt een andere kijk voor op het vak. Bijvoorbeeld dat psychotherapie misschien niet altijd werkt om van klachten af te komen, maar wel om ze beter te verdragen. Hij legt overigens ook zeldzaam goed uit wat dat verdragen nou eigenlijk inhoudt, hoe complex het is en wat het vraagt van cliënt en therapeut. De therapeut kan daarbij iets wat veel anderen niet kunnen: niet in de wanhoop of afweer schieten, maar vanuit compassie blijven verdragen.

Vervolgens zet hij uiteen welke zinvolle rol het behandelprotocol wel zou kunnen spelen: een manier of ritueel om de therapeut te helpen om het lijden van cliënten te verdragen. Ik lees veel over deze onderwerpen, maar op deze manier heb ik het nog nooit bekeken. Als mensen al kritisch zijn op behandelprotocollen, verwerpen ze ze meestal helemaal. In dit boek krijgen ze een andere, legitieme waarde.

Paradigmaverschuiving

De laatste hoofdstukken bevatten aanbevelingen voor een nieuwe rol van psychotherapie in de samenleving en consequenties voor de psychotherapeut en de wetenschap. De ambities liggen hoog: Van Oenen stelt een ware paradigmaverschuiving voor. Niet de GGZ als oplosser van alles wat in de samenleving moeilijk te verdragen is (suïcide, kindermishandeling, anorexia), maar een gezamenlijke erkenning dat we onmachtig zijn om veel problemen en lijden op te lossen, en dat therapie kan helpen bij het onder ogen zien van die realiteit. Van Oenen besluit: ‘De grote uitdaging voor de psychotherapie is om zich te ontworstelen aan het dwingende maakbaarheidsideaal dat zij zelf mede gecreëerd heeft.’

Met alles wat er al over de GGZ geschreven wordt, is het niet zo eenvoudig om iets vernieuwends te zeggen. Flip Jan van Oenen slaagt er wel in en brengt een inspirerende boodschap die naar mijn idee recht doet aan de realiteit, en dat in een goed leesbaar verhaal.

Wat ik echter mis in zijn boek is de aandacht voor organisaties. Van Oenen benoemt bijvoorbeeld wel dat organisaties ervoor moeten zorgen dat therapeuten genoeg tijd hebben om deze (moeilijkere) boodschap uit te dragen en niet te vervallen in protocolreflexen, maar dat is maar één alinea. Organisaties en hun culturen zijn echter heel belangrijk voor hoe een therapeut zich kan ontwikkelen. Dit had naar mijn idee wel een apart hoofdstuk gerechtvaardigd.

Alvast een kijkje in het gedachtegoed van Flip Jan van Oenen? In dit artikel van afgelopen mei is hij in gesprek met een vakgenoot die hem wat al te pessimistisch vindt, psychotherapeut Kirsten Hauber. Maar lees vooral het boek!


© Psychologie Vandaag, kenniscentrum en online therapie 2018. Alle rechten voorbehouden.