Help, de psychiater wordt gek – Frits Oostervink

5 september 2019 by Linda Mulders
exit.jpg

Dat de GGZ noodkreten slaakt over de toegenomen werkdruk en bureaucratisering, is helaas niet nieuw. Wel nieuw in 2019 is dat veteraanpsychologen en –psychiaters dit in eloquent geschreven boeken doen, waarin zij de tijd nemen om in de breedte en diepte uiteen te zetten waar voor hen de pijnpunten zitten. Eerder dit jaar verscheen Help, de psycholoog verzuipt van Frits Bosch; inmiddels is er ook Help, de psychiater wordt gek van Frits Oostervink. Titels die weinig twijfel laten bestaan over waar het de schrijvers om te doen is.

Frits Oostervink

Oostervink studeerde geneeskunde aan de VU en Amsterdam en is inmiddels 30 jaar psychiater in de ouderenzorg. Hij beschrijft de ouderenzorg als een complex veld waarin lichamelijke en psychische of psychiatrische problematiek samenkomen, en waarin de behandelaar af moet stemmen met meerdere hulpverleners en meestal ook met familieleden. Hij maakt zich zorgen over de afbouw van voorzieningen voor ouderen en het wegbezuinigen van ouderenafdelingen in de GGZ.

Casuïstiek

In het schrijven van Oostervink zie je duidelijk dat hij een vakman is die betrokkenheid en zorgvuldigheid voorop heeft staan. Het grootste deel van het boek bestaat uit een verslag van zijn werkweek en daarin neemt hij ook casusbeschrijvingen op. In deze casussen gaat het geregeld mis wanneer de kwaliteit van zorg en het belang van de cliënt botsen met de bureaucratische logica van de organisatie. Als lezer vind ik wel dat het erg veel casussen zijn. Ze zijn respectvol en feitelijk beschreven, maar daardoor komen de cliënten niet tot leven en is het moeilijk om ze uit elkaar te houden. Na twee casussen heb ik wel een goed idee van wat hij wil zeggen.

Reflectie

Interessanter vind ik de stukken waarin Oostervink zich naar de lezer of zijn collega’s toe uitspreekt over zijn frustraties, en daarmee de aandacht verlegt naar waar het probleem werkelijk zit. Die stukken laten ook meer zien van de mens en professional die Oostervink is. Veelzeggend vind ik een alinea op pagina 108 waarin hij er door zijn manager op wordt aangesproken dat zijn productiviteit (het percentage declarabele uren dat hij draait) te laag is.

“Een uur in de min, mijn god, denk ik, waar zijn we mee bezig? Ik schaam me voor deze mensen, voor deze instelling, voor waar we ons in Nederland nietsontziend mee ophouden. Dit is toch verschrikkelijk. Zouden ze beseffen wat ze hier, als mens, een ander mens aanrekenen? Dat hij een uur in de min staat? Hier word ik, die bijna 24/7 telefonisch bereikbaar is voor arts-assistenten, de afdeling en collega’s voor overleg, afgerekend op één uur; iemand die vrijwel dagelijks met leven en dood omgaat, die met de zwakste, kwetsbaarste en ziekste ouderen binnen onze samenleving omgaat. (…) Ik word er stil van, ben verbijsterd.”

Dit is waar het mijns inziens om gaat; hier is iemand aan het woord die tot in zijn tenen is gekrenkt in zijn beroepseer. Die er last van heeft dat er gedacht wordt over de hulpverlening in de GGZ als zorgbedrijf. “Alles voor de productie,” verwoordt hij het op pagina 167, “de patiënt is verdrongen van de eerste plaats in de gezondheidszorg”. Hij benoemt ook dat er tijdens teamvergaderingen bijna geen tijd meer is om rustig te bespreken wat er met een patiënt aan de hand is en hoe het met hem gaat in bredere zin. “De bespreking is verworden tot een vergadering waar patiënten als hamerstukken op een veiling besproken worden.” Oostervink probeert in zijn team op de rem te gaan staan maar stuit op weerstand: “Geduld lijkt een ongepast woord te zijn geworden.”

Ruimte

Gedurende het boek is Oostervink doorlopend op zoek naar ruimte. Hij ziet toch maar patiënten op de tijden dat hij eigenlijk administratie zou moeten doen, komt vroeg op zijn werk en gaat laat naar huis om aan alle verplichtingen te voldoen en probeert zijn onderzoekstijd te bewaken. Op zijn wekelijkse onderzoeksdag komt hij toe aan rust, bezinning en reflectie op het werk en de inhoud ervan. Hij zegt het heel mooi: “Het haalt je uit de dagelijkse zorgen van het werk en toch blijf je ermee verbonden omdat je indirect met patiënten en hun problemen bezig bent”. Hoewel deze onderzoeksdag vastligt in zijn contract, staat hij geregeld ter discussie. Ook Oostervink zelf laat op deze dag soms patiëntenzaken voorgaan, en hij blijft bereikbaar voor collega’s.

Onbevredigend einde

Wat ik jammer vind aan het einde van het boek, is dat Oostervink niet tot een resolutie weet te komen. De situatie die hij beschrijft bestaat al 30 jaar en ondanks de moeite die hij doet vindt Oostervink geen gehoor bij zijn managers. Hij citeert uit de verslagen van de gesprekken die hij met hen heeft en ergert zich aan de belerende toon: “Wat een taalgebruik. Een arts, die volgens de eed van Hippocrates beloofd heeft zijn lijdende medemens naar eer en geweten te helpen, wordt nu als productiemedewerker in een mensenfabriek gezien.” Ook stoort hij zich eraan dat het management hem door de hoge werkdruk dwingt om risico’s te nemen met patiënten en hem de zeggenschap ontneemt hoe hij invulling wil geven aan zijn werk, terwijl hij wel degene is die tuchtrechtelijk aansprakelijk is als er klachten komen of ongelukken gebeuren. Deze stress ervaart hij het hele boek door en die belandt ook bij de lezer: dit is het verhaal van een man die het water aan de lippen staat, en dat al een hele tijd. Wat gaat hij doen?

Oostervink neemt echter geen beslissing en dat is onbevredigend. Althans, hij overweegt kort om voor zichzelf beginnen, maar ziet dat vrijgevestigde collega’s tegen vergelijkbare problemen aan lopen en dat het bovendien de structurele problemen in de zorg niet oplost als iedereen voor zichzelf begint of steeds van baan wisselt. Ook het blijven, wat hij uiteindelijk doet, neemt hij echter nooit helemaal in eigendom. Het is een beslissing die hij met de hakken in het zand lijkt te nemen en waar hij geen rust in vindt. Strategieën die collega’s hebben om met de werkdruk om te gaan komen beknopt aan de orde, maar die roepen wrevel bij hem op en worden geen onderwerp van dialoog. Het blijft eigenlijk zoals hij zegt in het epiloog: “Er wordt nog steeds gepraat, gebrainstormd en geconcludeerd dat het anders moet. Verder komen we niet. Niemand durft een beslissing te nemen.”

Voldoet zo’n einde, voor een boek dat zo welbespraakt en ondubbelzinnig een belangrijk probleem aan de kaak stelt? Ik vind het een gemiste kans. Volgens mij is het aan ons als professionals om op zoek te gaan naar waar de weerbaarheid wel zit, waar we onze creativiteit kunnen gebruiken, waar ruimte te vinden is voor plezier en beroepseer. In plaats van ons murw te laten slaan; een gevoel dat ook bij mij als lezer nog een tijdlang bleef hangen toen ik het boek uit had.

© Psychologie Vandaag, kenniscentrum en online therapie 2018. Alle rechten voorbehouden.