Laden. Even geduld aub.

Telefoon0683775936EMAIL: linda [@] psychologievandaag.nlOPENINGSTIJDEN:Maandag-vrijdag 09:00-17:00
einde-behandeling2.jpg
06/okt/2019

Aan iedere behandeling komt een einde. Soms neemt de cliënt daarvoor het initiatief, maar soms ook de behandelaar. Omdat het beëindigen van de behandeling heftige gevoelens kan oproepen en grote gevolgen kan hebben, mag dat niet zomaar. In dit artikel lees je hoe het zit en vind je tips over wat je kunt doen als jullie het niet eens zijn over het stoppen met de behandeling. Elders op deze pagina vind je ook algemene tips over hoe je het aanpakt als je in je behandeling tegen problemen aanloopt, en de regels als je zelf niet verder wilt.

Afhankelijkheid

De behandelrelatie is geen gelijkwaardige relatie. Een cliënt is immers afhankelijk van zijn behandelaar. Daarom mag je als cliënt wel op ieder moment kiezen om niet verder te gaan, maar als behandelaar niet. Van toepassing is de WGBO, de Wet op de Geneeskundige Behandelovereenkomst. Deze zegt in artikel 460 heel duidelijk: De hulpverlener kan, behoudens gewichtige redenen, de behandelingsovereenkomst niet opzeggen. Maar wat zijn dat dan voor redenen? De wet is misschien simpel, maar de praktijk niet. Voor artsen werkt daarom de artsenfederatie KNMG nader uit hoe de wet moet worden toegepast. In dit geval doen ze dat in de richtlijn “niet-aangaan of beëindigen van de geneeskundige behandelingsovereenkomst”. Deze richtlijn is in ieder geval van toepassing op psychiaters, want zij zijn artsen. Je kunt hem niet helemaal één op één toepassen op psychologen, maar de richtlijn kan wel helpen om parallel redeneren toe te passen: conclusies trekken over wat je mag verstaan onder goed hulpverlenerschap binnen de gehele zorg.

Situaties waarin de behandelovereenkomst door de behandelaar kan worden opgezegd

Volgens de richtlijn gelden de volgende situaties als “gewichtige redenen”:

  • De cliënt gedraagt zich onheus of agressief jegens de arts of anderen. Het gaat dan vaak om een ernstig conflict tussen arts en cliënt, zonder enig perspectief op herstel. Deze bepaling gaat niet om een eenmalige onheuse uitlating. Wel vallen er verschillende vormen van grensoverschrijdend gedrag onder. Ook gedrag van de familieleden kan als gewichtige reden gelden.
  • De cliënt weigert aan de behandeling mee te werken. Dit is bijvoorbeeld zo als de cliënt noodzakelijke informatie achterhoudt of medicatie niet inneemt waarover duidelijke afspraken bestaan. Weigeren is niet hetzelfde als in gesprek gaan over het behandelplan of een second opinion vragen.
  • De cliënt weigert voortdurend de rekening te betalen.
  • De arts heeft een aanmerkelijk belang bij het beëindigen van de behandelovereenkomst, en wel zodanig dat voortzetting redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd. Bijvoorbeeld als hij persoonlijke gevoelens heeft gekregen voor de cliënt, als hij worstelt met ernstige gewetensbezwaren, als hij (tijdelijk) stopt met de praktijk of een bepaalde behandeling niet meer in zijn aanbod heeft. Ook het feit dat de cliënt regelmatig over de arts en/of zijn team klachten uit kan een reden zijn de behandelingsovereenkomst te beëindigen.

Zorgvuldigheidseisen

Het opzeggen mag niet “zomaar”, ook niet als een van de hierboven genoemde voorwaarden van toepassing is. De richtlijn geeft aan dat de behandelaar:

  • herhaaldelijk moet aandringen op verandering, daarover afspraken maakt en de cliënt waarschuwt.
  • een redelijke termijn stelt. Welke termijn redelijk is, hangt af van de specifieke omstandigheden, zoals de ernst van de klachten en de afhankelijkheid van de zorg.
  • de medisch noodzakelijke hulp in de tussentijd voortzet, of voor vervanging zorgt totdat de cliënt een nieuwe behandelaar heeft gevonden. De arts werkt mee aan het zoeken naar een alternatief voor de zorg.
  • gegevens moet verstrekken aan andere betrokken artsen of hulpverleners (met toestemming van de cliënt)
  • de dossiergegevens bewaart.

Beroepscode

De beroepscode van het NIP voegt hieraan toe dat er voor psychologen voorwaarden kunnen zijn waaronder ze zorg willen en kunnen verlenen (artikel 63). Dit kunnen financiële voorwaarden zijn, maar ook bijvoorbeeld afspraken rondom het niet verschijnen op consulten. Cliënten moeten deze voorwaarden van tevoren weten, zodat ze kunnen bepalen of dat ook voor hen haalbaar is.  Artikel 19 stelt verder:

Psychologen zijn verantwoordelijk voor de continuïteit van de professionele relatie. Als dat nodig is schakelen zij daarbij andere deskundigen in. Zij treffen maatregelen om zich er van te verzekeren dat een of meer vakgenoten hun professionele werkzaamheden overnemen dan wel afronden, als zij om welke reden dan ook genoodzaakt zijn de professionele relatie ontijdig te onderbreken of voortijdig af te breken. Psychologen zijn verantwoordelijk voor een adequate overdracht.

Let op!

Als cliënt kun je geen specifieke behandeling afdwingen. Als je behandelaar vindt dat een behandeling niet geïndiceerd of zinloos is, is hij niet verplicht deze te geven. Wel dient hij je dan te informeren over de redenen en motieven van zijn visie en, voor zover aanwezig, een alternatief aan te geven. Zo nodig kan hij je voor een second opinion verwijzen naar een andere hulpverlener.

Hoe los je het op?

Wil je behandelaar stoppen en jij niet? Zo pak je het aan:

  • Vraag naar de reden. Doe dit bij voorkeur in gesprek. Ben je ervan geschrokken of maakt het je boos? Bespreek dat. Probeer rustig te blijven. Vraag zo nodig om een time-out tijdens het gesprek. Luister goed naar wat je behandelaar zegt. Het kan ook een goed idee zijn om iemand mee te nemen.
  • Is er volgens jou geen “gewichtige reden” uit het lijstje hierboven? Benoem dat en wijs je behandelaar erop dat je afhankelijk van hem bent en dat het traject niet zomaar afgesloten kan worden.
  • Geeft je behandelaar wel een “gewichtige reden” aan? Ga het volgende na:
    • heeft je behandelaar benoemd wat het probleem is en wat er moet veranderen? Ben je gewaarschuwd?
    • heb je voldoende tijd gekregen om je gedrag aan te passen?
    • heb je nú medisch noodzakelijke zorg nodig?
    • als er al een nieuwe behandelaar is: is je behandelaar bereid de gegevens over te dragen?

Is niet aan deze voorwaarden voldaan? Vraag dan wat je behandelaar precies van je verwacht en spreek af hoeveel tijd je krijgt om je gedrag te veranderen. Sluiten jullie toch af? Geef dan aan welke zorg op dit moment noodzakelijk voor jou is totdat je een andere hulpverlener hebt gevonden, en vraag je behandelaar mee te denken over waar je wel hulp zou kunnen krijgen. Verzoek hem de gegevens over te dragen en je huisarts te informeren. Je kunt natuurlijk ook zelf je dossier opvragen.

  • Is er niet zozeer een gewichtige reden maar zijn jullie het bijvoorbeeld oneens over de behandelindicatie, vraag je behandelaar dan naar een onderbouwing. Je kunt ook vragen om een alternatief of een verwijzing voor een second opinion.

verpleegkundig-specialist.jpg
17/mei/2019

In de afgelopen jaren zijn er nieuwe beroepen ontstaan in de zorg. Eén daarvan is de verpleegkundig specialist. Je komt hem ook steeds meer tegen in de GGZ en daar roept hij niet zelden verwarring op bij collega’s en cliënten. Want wie is het nou precies en wat kan en mag hij?

Opleiding

De verpleegkundig specialist is een HBO-geschoolde verpleegkundige, die daarna een masteropleiding heeft afgerond. Hij is speciaal opgeleid om zowel verpleegkundige als medische behandeling uit te voeren. Een van de afstudeerrichtingen is de GGZ; iemand met dit diploma is VS GGZ, oftewel verpleegkundig specialist GZ. Volgens de eigen beroepsvereniging, de V&VN, is het deskundigheidsgebied van de VS GGZ als volgt te beschrijven: “het zelfstandig verrichten van verpleegkundige en medische diagnostiek en daaruit voortvloeiende behandeling, begeleiding en ondersteuning van zorgvragers met psychische klachten en/of psychiatrische stoornissen. De behandeling door de VS GGZ richt zich primair op de gevolgen van de psychiatrische stoornis c.q. de beperkingen, in het (inter-)persoonlijk functioneren binnen complexe zorgsituaties.” De VS GGZ mag zelfstandig handelen en als regiebehandelaar optreden omdat hij BIG-geregistreerd is. Hier zitten echter wel beperkingen aan. De VS GGZ is immers geen psycholoog of psychiater.

Wat zegt het kwaliteitsstatuut?

Het bevoegdheidsgebied van de VS GGZ staat nader beschreven in het Model GGZ Kwaliteitsstatuut. Het Kwaliteitstatuut is sinds 2017 van kracht en geldt als de wettelijke professionele standaard. Dat betekent dat alle praktijken en instellingen zich eraan moeten houden. In het model staat aangegeven wat zorgaanbieders in de GGZ geregeld moeten hebben op het gebied van kwaliteit en verantwoording om geestelijke gezondheidszorg in het kader van de Zorgverzekeringswet te kunnen verlenen. Met het Kwaliteitsstatuut geeft een zorgaanbieder aan dat hij dat de juiste hulp levert, op de juiste plaats en door de juiste zorgprofessional. De zorgaanbieder bevordert daarmee gepaste zorg. Het Kwaliteitsstatuut is in samenwerking tussen verschillende beroeps- en belangenverenigingen tot stand gekomen, waaronder overigens de V&VN.

Een van de zaken die is geregeld in het Kwaliteitsstatuut, is het regiebehandelaarschap. Het Kwaliteitsstatuut geeft met betrekking tot de VS GGZ aan:

  • In de generalistische basis GGZ kan een VS GGZ als regiebehandelaar worden ingezet in een instelling, maar niet in een vrijgevestigde praktijk.
  • In de gespecialiseerde GGZ kan een VS GGZ als regiebehandelaar optreden wanneer de behandeling niet (meer) gericht is op biologische en psychologische factoren, maar meer op de gevolgen van de psychiatrische stoornis of op de beperkingen die de stoornis geeft in het functioneren. Het gaat om cliënten met een langer bestaande stoornis, of patiënten met een hoogcomplexe rehabilitatievraag. Tot slot mag de VS GGZ in deze setting regiebehandelaar zijn bij laagcomplexe, protocollair behandelbare medische zorg die niet past binnen de generalistische basis GGZ.

Concreet betekent dat dat de insteek is dat VS GGZ wordt ingezet bij chronische problematiek. Bijvoorbeeld iemand die zich heeft aangemeld met depressieve klachten, maar waarbij onderliggend sprake blijkt te zijn van autisme. De diagnose is bekend, iemand is uit de actieve behandelfase maar heeft nog steeds zorg nodig, omdat de stoornis blijvende gevolgen heeft voor zijn leven. Hier zou de inzet van een verpleegkundige die goed bekend is met psychiatrische problematiek uitstekend op zijn plek zijn.  De verpleegkundige kan in deze fase tevens optreden als regiebehandelaar en, in overleg met de cliënt, een andere collega inzetten in het zorgtraject, zoals een systeemtherapeut (gezinstherapeut).

Een ander voorbeeld dat goed past binnen de kaders van het Kwaliteitsstatuut is dat van iemand met een bipolaire stoornis die opgenomen is geweest, en begeleid moet worden met de terugkeer naar huis.

Wat zegt het beroepsprofiel?

De V&VN heeft een beroepsprofiel gepubliceerd waarin de taken en bevoegdheden van de VS GGZ veel ruimer omschreven staan. De beroepsomschrijving zou zo die van een ervaren psycholoog kunnen zijn die de nodige vervolgopleidingen heeft gevolgd: “Tevens maakt de VS GGZ gebruik van psychodynamische, (cognitief-) gedragstherapeutische, groepsdynamische, milieutherapeutische en systemische interventies om cognities, stemmingen, gedragingen en houdingen van de zorgvrager en diens systeem te beïnvloeden.” Hier zitten complexe interventies bij waar psychologen jaren postmasteronderwijs voor volgen, gecombineerd met praktijkervaring, leertherapie en supervisie. Ook stelt het beroepsprofiel dat de VS GGZ “het volledige proces van diagnostiek, indicatiestelling, behandeling, verwijzing, overdracht en ontslag uit kan voeren, aansturen, of delegeren en daarin zelfstandig (finale) beslissingen te nemen”. Hier is de beperking weggevallen die eerder in de tekst nog wel stond, namelijk dat de VS GGZ deze bevoegdheden alleen heeft met betrekking tot medische problematiek, weliswaar samengaand met psychische of psychiatrische problematiek, maar niet de psychische problematiek zelf. Tot slot mag de VS GGZ medicatie voorschrijven op recept.

Kortom: het beroepsprofiel schetst een bredere inzetbaarheid dan je terugvindt in het Kwaliteitsstatuut. Ook in de praktijk van de geestelijke gezondheidszorg is op dit moment terug te zien dat de VS GGZ meer verantwoordelijkheden op zich neemt – soms volledige diagnostische en behandeltrajecten die je eerder bij een psycholoog of psychiater zou verwachten, niet bij een verpleegkundige, ook al heeft die zich verder gespecialiseerd.

Bevoegdheid en bekwaamheid

Het zou kunnen dat de VS GGZ sneller toestemming krijgt van organisaties om zijn werkzaamheden uit te breiden, omdat er op dit moment te weinig regiebehandelaren zijn in de GGZ. Als de VS GGZ handelt binnen de grenzen van zijn bekwaamheid, hoeft dat geen slechte ontwikkeling te zijn. Er kunnen dan immers meer cliënten geholpen worden. Drie zaken blijven daarbij echter van groot belang: dat de kaders uit het Kwaliteitsstatuut worden gehandhaafd, dat de VS GGZ en de organisatie integer zijn in de inzet van de VS GGZ, en dat naar de cliënt toe transparant gecommuniceerd wordt uit welke beroepsgroep zijn behandelaar komt. Het mooiste zou zijn als de psycholoog en de verpleegkundige (met specialisme) elkaar aanvullen zoals in de voorbeelden hierboven. Zo is het immers ook bedoeld.


medicatie2-1024x683.jpg
15/sep/2018

Psychologen schrijven geen medicijnen voor. Dat komt doordat het geen artsen zijn, maar gedragswetenschappers, die met mensen praten over hoe ze in elkaar zitten en wat voor effect dat heeft op wat ze doen. Denk je binnen je psychologische behandeling toch aan medicamenteuze ondersteuning? Een (huis)arts of psychiater kan mogelijk helpen.

Wanneer medicatie?

Medicatie die iets doen met de psyche noem je psychofarmaca. Daaronder vallen bijvoorbeeld antidepressiva, kalmeringsmiddelen, methylfenidaat (zoals Ritalin) en antipsychotica. De keuze om psychofarmaca te gaan gebruiken is heel persoonlijk. Over het algemeen hebben psychofarmaca als doel om mensen kalmer, minder wiebelig en meer gefocust te maken. Soms kun je dat doel ook zonder medicijnen bereiken, bijvoorbeeld door therapie of door leefstijlveranderingen. Soms zijn de problemen echter dusdanig ernstig dat het niet lukt om een therapie te doorlopen of veranderingen door te voeren. Je hebt dan een beginnetje of basis nodig om überhaupt met jezelf aan de slag te kunnen. Dit is vaak het moment waarop aan medicijnen wordt gedacht. Het onderwerp kan zowel door de psycholoog als door de cliënt worden aangeroerd. De uiteindelijke beslissing kun je alleen zelf maken, samen met de arts die je begeleidt.

Nadelen van medicatie

Medicijnen hebben een aantal nadelen. Hoe zwaar die voor je wegen, hangt af van je persoonlijke situatie en van het medicijn dat je wil gaan gebruiken. Enkele nadelen zijn:

  • ze lossen het probleem niet op; meestal halen ze alleen de scherpe kantjes eraf. Ze pakken de oorzaak niet aan.
  • van sommige medicijnen kun je afhankelijk worden (verslaafd raken)
  • medicijnen hebben bijwerkingen
  • sommige mensen geven aan zich minder zichzelf te voelen door hun medicatie

Veel mensen vinden het daarom niet prettig om (langdurig) medicijnen te gebruiken, en beginnen er liever niet aan. Soms kan het echter niet anders. Waar die grens ligt, is voor iedereen anders. Je hoeft je er in ieder geval zeker niet voor te schamen als je medicijnen gaat gebruiken.

Wie kan ze wel voorschrijven?

Als je therapie volgt in een grote instelling, werken daar ook altijd psychiaters. Een psychiater is een arts die is gespecialiseerd in psychiatrische problematiek. Je psycholoog kan zorgen dat je daar een afspraak mee krijgt. Ook vrijgevestigde psychologen in groepspraktijken of zelfs solopraktijken hebben echter vaak psychiaters in hun netwerk waar ze mee samenwerken.

Sommige medicijnen kunnen ook worden voorgeschreven door de huisarts. Het hangt van je huisarts af of hij dat verantwoord vindt. Het is een goed idee om met je psycholoog te overleggen voordat je deze vraag bij je huisarts neerlegt.

Overige tips

Denk je aan medicatie, of stelt je behandelaar het voor?

  • Zorg dat je weet wat je slikt. Stel vragen aan je arts. En lees altijd eerst de bijsluiter. Alle bijsluiters staan op Apotheek.nl. Meer informatie over alle verschillende soorten medicijnen vind je op het Farmacotherapeutisch Kompas.
  • Twijfel je? Vraag naar alternatieven.
  • Bestel geen medicatie zelf via internet.
  • Maak een plan voor hoe lang je de medicijnen ongeveer gaat gebruiken en wat redenen zouden zijn om te stoppen.
  • Vraag na wat je kunt verwachten van het afbouwen.
  • Vraag na of deze medicatie samen gaat met eventuele andere medicijnen die je slikt
  • Heb je medische problemen? Zorg dat de arts daarvan op de hoogte is
  • Zorg dat je onder controle blijft bij je arts, zodat de soort en dosis van je medicatie blijft passen bij je situatie.

alleen-naar-psycholoog-1024x683.jpg
01/sep/2018

Het kan zijn dat je als jongere graag eens met een psycholoog wilt praten, maar liever niet hebt dat je ouders daarvan op de hoogte zijn. Bijvoorbeeld omdat je niet wil dat ze weten waar je mee zit, of omdat ze er zelf een rol in spelen. Door de Nederlandse wet- en regelgeving is dat lastig, maar er zijn gelukkig toch mogelijkheden. Bijvoorbeeld online of via de huisarts.

Wat zegt de wet?

De regels waar psychologen zich aan moeten houden, liggen vast in de WGBO. Dat is de Wet Geneeskundige Behandelingsovereenkomst. Daarin staat dat ouders van kinderen tot 16 jaar (dus t/m 15 jaar) toestemming moeten geven voor behandeling. Dat komt doordat zij verantwoordelijk zijn voor hun kinderen. Om die toestemming te kunnen geven, moeten ze ervan op de hoogte zijn dat hun kind in behandeling wil en ook waarvoor. Ze mogen zelfs je dossier opvragen. Dit geldt voor alle vormen van psychologische behandeling. Beide gezagdragende ouders moeten toestemming geven, ook als je ouders gescheiden zijn.

Vanaf zestien jaar ben je voor de WGBO meerderjarig. Je mag dan zelfstandig, dus zonder dat je ouders erbij betrokken zijn, in behandeling gaan. Ze kunnen ook geen informatie meer opvragen over je behandeling. Wil je dat ze er helemaal niets vanaf weten? Dat kan praktisch gezien lastig zijn. De psycholoog zal je bijvoorbeeld af en toe post willen sturen en de gemeente moet betrokken zijn voor de indicatie en de financiële afhandeling. Leg deze vraag voor aan de praktijk of instelling waar je in behandeling wil, of bij de gemeente.

Vanaf achttien jaar ben je daarvan af. De zorg valt dan niet meer onder de gemeente maar onder de zorgverzekeringswet en je kunt jezelf gewoon aanmelden. Hou er echter rekening mee dat de zorgverzekeraar het eigen risico in rekening zal brengen en dat deze rekening bij je ouders belandt. Als je nog met hen mee verzekerd bent en bij hen woont, in ieder geval.

Dit artikel legt het nog wat uitgebreider uit.

Wat kan er wél?

Jongeren kunnen voor sommige problemen anoniem een online behandeling volgen, chatten of bellen. Omdat je gegevens niet worden gevraagd, zijn je ouders ook niet betrokken. Je kunt bijvoorbeeld terecht:

  • Bij de Kindertelefoon (ook chat) voor allerlei verschillende problemen.
  • Bij Accare voor problemen met zelfbeeld, eten, gewicht en uiterlijk
  • Bij Brijder voor problemen met alcohol en gokken
  • Bij Fier als je te maken hebt (gehad) met geweld, bijvoorbeeld als er iets gebeurd is tegen je wil, als er veel ruzie is thuis of als je word bedreigd.
  • Bij Grip op je Dip voor somberheidsklachten en niet goed in je vel zitten (vanaf 16 jaar)
  • Bij Kenter (Praten Online) voor niet goed in je vel zitten
  • Bij Proud2bme voor eetstoornissen
  • Bij Ter Wille (Doe Relegs) bij verslavingsproblemen
  • Bij Psychosenet voor psychosegevoeligheid
  • Bij Trimbos Instituut (Kopstoring) als je ouders hebt met psychische of verslavingsproblemen
  • Bij Sense voor problemen met seksualiteit
  • Bij 113 als je denkt aan zelfmoord

Is er een tussenoplossing?

Ligt online hulpverlening jou niet zo en wil je toch graag gesprekken met iemand? Misschien kan de huisarts je verder helpen via de praktijkondersteuner (POH-GGZ). De praktijkondersteuner is een zorgprofessional, vaak met een opleiding in de psychologie of daarop lijkend, die de huisarts ondersteunt bij het helpen van mensen met psychische klachten. Soms is er een speciale POH-GGZ-jeugd. Als de klachten niet te zwaar zijn, kan de praktijkondersteuner een aantal gesprekken met je hebben, deze vallen dan onder huisartsenzorg. De kosten gaan niet af van het eigen risico van de zorgverzekering en je ouders krijgen er daarom geen rekening voor. Op het overzicht van de verzekering kunnen ze overigens wel zien dat je bij de huisarts bent geweest, als ze dat opvragen, maar niet waarvóór.

Of de huisarts het goed vindt dat je een aantal gesprekken hebt met de POH-GGZ zonder dat je ouders daarvan op de hoogte zijn, hangt af van je probleem en de reden waarom je geheimhouding wil. Wees van tevoren duidelijk dat je graag in je eentje op consult wil komen bij de huisarts en vraag na of het geheim kan blijven.

Je kunt ook bellen naar het Centrum voor Jeugd en Gezin in jouw regio (CJG) om te vragen of er mogelijkheden zijn voor anonieme hulp, of hulp waarvan je ouders niet op de hoogte zijn. Je hoeft daarbij nog niet je naam te zeggen.

Soms zijn er tot slot mogelijkheden buiten de geestelijke gezondheidszorg om met iemand over je problemen te praten, bijvoorbeeld bij een kerk of moskee.

Toch naar een psycholoog?

Wil je toch naar een psycholoog of een andere behandelaar? Dan zul je een beetje moeten schipperen: je ouders zullen op zijn minst moeten weten dat je in behandeling bent en waarvoor. Vanaf 12 jaar kun je wel afspraken maken met je psycholoog over wat je ouders wel en niet mogen weten. Leg gewoon uit waar je je zorgen over maakt of waar je bang voor bent en vraag de psycholoog en je ouders om mee te denken. Het is helemaal niet zo gek dat je een beetje privacy wil in je behandeling. Let er wel op dat als er een gevaarlijke situatie ontstaat, de psycholoog je ouders altijd zal moeten inlichten. Bijvoorbeeld als je serieuze zelfmoordplannen hebt.

Tot slot

Vraag jezelf af of het echt zo erg zou zijn als je ouders weten dat je een psycholoog wil bezoeken. Misschien hebben ze allang in de gaten dat je niet zo goed in je vel zit en vinden ze het juist een heel goed idee. En misschien kan je psycholoog ook hen helpen om dingen anders te doen zodat het beter gaat met jou. Sommige ouders hebben bijvoorbeeld niet in de gaten dat hun kind er last van heeft als ze steeds over hun scheiding praten. Of dat het niet helpt dat ze steeds zeggen dat je je “niet zo aan moet stellen”. Of dat jij vindt dat ze te veel kritiek op je hebben.

Wat dan ook de reden is waarom je je ouders buiten de behandeling wil houden, misschien valt het wel mee.


diagnose-1024x652.jpg
28/jul/2018

In de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) werkt men vaak met DSM-classificaties. Deze classificaties worden ook wel diagnoses genoemd. Een classificatie kan bijvoorbeeld ADHD zijn, maar ook een depressieve stoornis of een persoonlijkheidsstoornis. Binnen de GGZ wordt de diagnose altijd gesteld door een behandelaar met een BIG-registratie, dus een psychiater, GZ-psycholoog, klinisch psycholoog of psychotherapeut.

Wat is een diagnose?

In een eerder artikel besprak ik de ins & outs van de DSM-classificatie. Kort samengevat is het goed om in de gaten te houden dat er een onderscheid is tussen de beschrijvende diagnose (een stukje tekst over wat er precies met iemand aan de hand is en waarom) en de DSM-classificatie (de codering waaronder het beeld van de cliënt wordt ingedeeld). Beide horen in het behandelplan te staan. De beschrijvende diagnose is het belangrijkst voor de behandeling, omdat die aanknopingspunten biedt om aan te werken. De classificatie geeft – gek genoeg – in feite maar weinig informatie over wat er aan de hand is en wat er gedaan moet worden. Psychologen en psychiaters stellen hem vast om in grote lijnen met elkaar te kunnen communiceren over verschillende soorten problematiek en om wetenschappelijk onderzoek te kunnen doen, bijvoorbeeld naar behandelmethoden. Toch werd hij in de afgelopen decennia ook om een andere reden steeds belangrijker: de DSM-classificatie is vaak een voorwaarde om de behandeling vergoed te krijgen door de zorgverzekeraar of gemeente. Onterecht overigens, want de makers van de DSM zeggen zelf dat de classificaties daar niet voor bedoeld zijn.

Wie stelt de diagnose?

In de DSM staat (p73): “het voornaamste doel van de DSM-5 is om clinici die zijn getraind in het gebruik ervan behulpzaam te zijn bij het classificeren van de psychische stoornissen van hun patiënten”. En verderop (p86): “Het gebruik van de DSM-5 door iemand die geen clinicus of arts is en niet voldoende is opgeleid om de aanwezigheid van een psychische stoornis vast te stellen, wordt afgeraden”.

Wie zijn dan die voldoende opgeleide of getrainde clinici? In Nederland verstaan we daaronder in principe GGZ-professionals met een BIG-registratie (BIG = beroepen in de individuele gezondheidszorg). Dat kunnen zowel psychologen als psychiaters zijn; hier lees je meer over het verschil. Psychologen moeten dan wel een vervolgopleiding hebben gevolgd na hun masterdiploma, zoals de GZ-psycholoog, de klinisch psycholoog en de psychotherapeut; hier lees je meer over hun opleiding en positie.

Een basispsycholoog of orthopedagoog kan de leiding hebben over het diagnostiektraject, maar altijd alleen onder supervisie van een GGZ-professional met een BIG-registratie, die ook het verslag mede moet ondertekenen.

De reden voor het beperken van diagnostische bevoegdheid tot BIG-geregistreerde professionals, is kwaliteitswaarborging

Hoe specialistischer de setting, hoe vaker er een psychiater betrokken is bij de diagnostiek. In een eerstelijnspraktijk is dit in principe niet nodig, maar in een kliniek formuleren de psycholoog en de psychiater altijd samen het diagnostisch beeld. In samenspraak met de cliënt natuurlijk.

Wie stellen de diagnose niet?

De volgende mensen vallen in principe niet onder voldoende getrainde clinici:

  • orthopedagogen (alleen onder supervisie)
  • basispsychologen of de psycholoog NIP (alleen onder supervisie)
  • gezondheidswetenschappers (alleen onder supervisie)
  • systeemtherapeuten (tenzij BIG-geregistreerd)
  • psychologen die de hbo-opleiding “toegepaste psychologie” hebben gevolgd
  • artsen en zorgprofessionals van andere disciplines. Zij hebben wel een BIG-registratie, maar niet op het gebied van de psychologie en psychiatrie
  • huisartsen en de POH-GGZ (praktijkondersteuner)
  • therapeuten zoals de psychomotorisch therapeut, vaktherapeut, speltherapeut, psychosociaal therapeut enzovoort.
  • behandelaren vanuit de complementaire zorg, zoals de homeopaat, accupuncturist, natuurgeneeskundige, masseur enzovoort.
  • opvoedondersteuners
  • coaches
  • leerkrachten
  • (ambulant) begeleiders
  • arbo-artsen
  • medewerkers van een organisatie zoals de gemeente, het UWV of Veilig Thuis

Het kan heel goed zijn dat deze mensen, door hun relatie met de cliënt en hun professionele kennis en ervaring, wel uitstekend zicht hebben op de problematiek waar iemand mee worstelt. Soms kunnen ze ook een vermoeden hebben van een diagnose. Voor het stellen of uitsluiten daarvan dienen ze echter altijd door te verwijzen naar iemand met een relevante BIG-registratie.

Heb je zelf prettig contact met een hulpverlener en wil je graag dat zijn of haar kijk op jouw problematiek wordt meegenomen in het diagnostisch traject? Vraag dan of er gegevens uitgewisseld kunnen worden.


© Psychologie Vandaag, kenniscentrum en online therapie 2018. Alle rechten voorbehouden.