Laden. Even geduld aub.

Telefoon0683775936EMAIL: linda [@] psychologievandaag.nlOPENINGSTIJDEN:Maandag-vrijdag 09:00-17:00
diagnose-1024x652.jpg
28/jul/2018

In de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) werkt men vaak met DSM-classificaties. Deze classificaties worden ook wel diagnoses genoemd. Een classificatie kan bijvoorbeeld ADHD zijn, maar ook een depressieve stoornis of een persoonlijkheidsstoornis. Binnen de GGZ wordt de diagnose altijd gesteld door een behandelaar met een BIG-registratie, dus een psychiater, GZ-psycholoog, klinisch psycholoog of psychotherapeut.

Wat is een diagnose?

In een eerder artikel besprak ik de ins & outs van de DSM-classificatie. Kort samengevat is het goed om in de gaten te houden dat er een onderscheid is tussen de beschrijvende diagnose (een stukje tekst over wat er precies met iemand aan de hand is en waarom) en de DSM-classificatie (de codering waaronder het beeld van de cliënt wordt ingedeeld). Beide horen in het behandelplan te staan. De beschrijvende diagnose is het belangrijkst voor de behandeling, omdat die aanknopingspunten biedt om aan te werken. De classificatie geeft – gek genoeg – in feite maar weinig informatie over wat er aan de hand is en wat er gedaan moet worden. Psychologen en psychiaters stellen hem vast om in grote lijnen met elkaar te kunnen communiceren over verschillende soorten problematiek en om wetenschappelijk onderzoek te kunnen doen, bijvoorbeeld naar behandelmethoden. Toch werd hij in de afgelopen decennia ook om een andere reden steeds belangrijker: de DSM-classificatie is vaak een voorwaarde om de behandeling vergoed te krijgen door de zorgverzekeraar of gemeente. Onterecht overigens, want de makers van de DSM zeggen zelf dat de classificaties daar niet voor bedoeld zijn.

Wie stelt de diagnose?

In de DSM staat (p73): “het voornaamste doel van de DSM-5 is om clinici die zijn getraind in het gebruik ervan behulpzaam te zijn bij het classificeren van de psychische stoornissen van hun patiënten”. En verderop (p86): “Het gebruik van de DSM-5 door iemand die geen clinicus of arts is en niet voldoende is opgeleid om de aanwezigheid van een psychische stoornis vast te stellen, wordt afgeraden”.

Wie zijn dan die voldoende opgeleide of getrainde clinici? In Nederland verstaan we daaronder in principe GGZ-professionals met een BIG-registratie (BIG = beroepen in de individuele gezondheidszorg). Dat kunnen zowel psychologen als psychiaters zijn; hier lees je meer over het verschil. Psychologen moeten dan wel een vervolgopleiding hebben gevolgd na hun masterdiploma, zoals de GZ-psycholoog, de klinisch psycholoog en de psychotherapeut; hier lees je meer over hun opleiding en positie.

Een basispsycholoog of orthopedagoog kan de leiding hebben over het diagnostiektraject, maar altijd alleen onder supervisie van een GGZ-professional met een BIG-registratie, die ook het verslag mede moet ondertekenen.

De reden voor het beperken van diagnostische bevoegdheid tot BIG-geregistreerde professionals, is kwaliteitswaarborging

Hoe specialistischer de setting, hoe vaker er een psychiater betrokken is bij de diagnostiek. In een eerstelijnspraktijk is dit in principe niet nodig, maar in een kliniek formuleren de psycholoog en de psychiater altijd samen het diagnostisch beeld. In samenspraak met de cliënt natuurlijk.

Wie stellen de diagnose niet?

De volgende mensen vallen in principe niet onder voldoende getrainde clinici:

  • orthopedagogen (alleen onder supervisie)
  • basispsychologen of de psycholoog NIP (alleen onder supervisie)
  • gezondheidswetenschappers (alleen onder supervisie)
  • systeemtherapeuten (tenzij BIG-geregistreerd)
  • psychologen die de hbo-opleiding “toegepaste psychologie” hebben gevolgd
  • artsen en zorgprofessionals van andere disciplines. Zij hebben wel een BIG-registratie, maar niet op het gebied van de psychologie en psychiatrie
  • huisartsen en de POH-GGZ (praktijkondersteuner)
  • therapeuten zoals de psychomotorisch therapeut, vaktherapeut, speltherapeut, psychosociaal therapeut enzovoort.
  • behandelaren vanuit de complementaire zorg, zoals de homeopaat, accupuncturist, natuurgeneeskundige, masseur enzovoort.
  • opvoedondersteuners
  • coaches
  • leerkrachten
  • (ambulant) begeleiders
  • arbo-artsen
  • medewerkers van een organisatie zoals de gemeente, het UWV of Veilig Thuis

Het kan heel goed zijn dat deze mensen, door hun relatie met de cliënt en hun professionele kennis en ervaring, wel uitstekend zicht hebben op de problematiek waar iemand mee worstelt. Soms kunnen ze ook een vermoeden hebben van een diagnose. Voor het stellen of uitsluiten daarvan dienen ze echter altijd door te verwijzen naar iemand met een relevante BIG-registratie.

Heb je zelf prettig contact met een hulpverlener en wil je graag dat zijn of haar kijk op jouw problematiek wordt meegenomen in het diagnostisch traject? Vraag dan of er gegevens uitgewisseld kunnen worden.


shared-decision-making-1024x683.jpg
27/jun/2018

Samen beslissen, oftewel shared decision making, is een actueel thema in de geestelijke gezondheidszorg. Samen beslissen betekent dat de hulpverlening gebaseerd is op drie pijlers: 1) wetenschappelijk bewijs, 2) de klinische expertise van de hulpverlener en 3) de expertise, waarden en voorkeuren van de individuele cliënt (Wester, Kreuger en Van Gool, 2015). Door die drie zaken samen met je psycholoog bij elkaar te brengen, zorg je ervoor dat je een behandeling volgt die je goed begrijpt, die bij je past en waar je achter staat. Dat zorgt meestal voor betere uitkomsten. Klinkt gemakkelijk, is nog niet zo eenvoudig. Hier lees je wat je zelf kunt doen om samen tot goede beslissingen te komen.

Wat houdt Samen beslissen in de praktijk precies in?

Deze video van patiëntenorganisatie MIND legt vereenvoudigd uit wat Samen beslissen inhoudt in de praktijk.

De basis van Samen beslissen

De wettelijke basis voor Samen beslissen ligt in de WGBO: de Wet op de Geneeskundige Behandelingsovereenkomst. Hierin staat dat hulpverleners, dus ook psychologen, goed moeten bespreken welke behandeling ze voorstellen en waarom. De verwachte gevolgen en risico’s moeten worden besproken. Tot slot moeten eventuele alternatieven aan de orde komen. Soms zijn er bijvoorbeeld andere behandelmethoden die in aanmerking komen (artikel 448 WGBO).

In de formulering van de WGBO is de hulpverlener echter nog steeds de leidende persoon: hij doet voorstellen en geeft informatie. Echt Samen beslissen gaat nog een stap verder (Charles, Gafni en Whelan, 1999) en gaat uit van meer gelijkwaardige verhouding:

  • er zijn minstens twee partijen bij betrokken: de behandelaar en de cliënt;
  • beide partijen zetten stappen in het besluitvormingsproces;
  • informatie-uitwisseling is een noodzakelijke voorwaarde;
  • er wordt een behandelbesluit genomen waarmee beide partijen instemmen.

Samen beslissen vraagt dus ook een actieve houding van de cliënt: die kan niet achterover leunen en afwachten waar de psycholoog mee komt. Ook moet hij zorgen dat de psycholoog alle informatie heeft die nodig is om een goed advies te geven.

Aansturen op Samen beslissen

Als je het idee hebt dat het advies van je psycholoog niet goed bij je past, zijn er een hoop dingen die je als cliënt kunt doen om aan te sturen op Samen beslissen. Bijvoorbeeld:

  • leg op een rustige manier uit waarom je de voorgestelde behandeling niet ziet zitten;
  • zijn er aspecten van jouw situatie waar je behandelaar naar jouw idee onvoldoende rekening mee heeft gehouden? Geef er meer informatie over;
  • bespreek je gevoel. Wat is er aan de hand? Ben je bijvoorbeeld ergens bang voor in deze behandeling?
  • vraag naar alternatieven binnen én buiten de GGZ;
  • vraag of er alternatieven zijn buiten deze praktijk of instelling;
  • vraag je huisarts of POH-GGZ (praktijkondersteuner) mee te denken als onafhankelijke derde;
  • heb je informatie niet goed begrepen? Vraag je psycholoog het nog een keer uit te leggen;
  • zoek gerust op internet naar meer informatie en neem mee wat je gevonden hebt;
  • neem een naaste mee naar het gesprek, bijvoorbeeld je partner, een familielid of een goede vriend.

Wat betekent Samen beslissen nog meer?

Bij Samen beslissen ben je dus gelijkwaardig, maar ook weer niet gelijk. Hoogleraar Evelien Tonkens verwoordt het in haar boek (2008) heel mooi: ‘Dat wil zeggen dat de cliënt de expertise van de professional erkent, die door zijn opleiding, kennis, ervaring en voortdurende verdieping daarvan een oordeel kan maken over klachten en bijbehorende therapieën dat per definitie superieur is aan dat van de leek, bijvoorbeeld de cliënt. Daar tegenover staat dat de cliënt op een ander punt superieur is aan de professional: hij weet hoe het voelt en professionals kunnen niet anders dan daar heel goed naar luisteren, en gebruiken wat ze horen.’

De expertise van de professional erkennen en respecteren betekent bijvoorbeeld dat je geen behandeling kunt afdwingen die jouw psycholoog niet kan of wil leveren. Bijvoorbeeld omdat hij die behandelmethode niet beheerst of omdat hij die in jouw situatie niet passend of zelfs gevaarlijk vindt. Je psycholoog heeft zijn eigen professionele grenzen en verantwoordelijkheid – dat is ook een kant van “samen”. Luister dus goed naar de antwoorden die je psycholoog geeft en stel je niet eisend of dwingend op. Soms is informatie die je zelf op internet vindt niet betrouwbaar; je psycholoog kan je daarop wijzen. Zorg dat er een dialoog op gang blijft. Kom je er echt niet uit? Je bent niet verplicht om een behandeling te volgen die je niet ziet zitten. Je kunt altijd respectvol besluiten niet met deze psycholoog of instelling verder te gaan.

Meer weten?

Het NIP (Nederlands Instituut van Psychologen) maakte onlangs een interessante film waarin een aantal professionals aan het woord is over hoe ze tegen Samen beslissen aan kijken en hoe ze omgaan met dilemma’s.

 

Bronnen:

Wester, A.; Kreuger, T., Gool, R. van (2015). Beslissen doe je samen! Gedeelde besluitvorming: theorie en praktijk. Nurse Academy GGZ, nummer 4.

Charles, C.; Gafni, A., Whelan, T. (1997). Shared decision-making in the medical encounter: what does it mean? (or it takes at least two to tango). Social Science & Medicine. Mar;44(5):681-92.

Tonkens, E. (2008). Mondige burgers, getemde professionals. Van Gennep, Amsterdam.


email-1024x702.jpg
20/jun/2018

E-mail is een simpel, alledaags communicatiemiddel geworden. Veel mensen vinden het dan ook prettig om via dit kanaal met hun zorgverlener te communiceren. Bijvoorbeeld om afspraken te maken, te laten weten hoe het met hen gaat, huiswerkopdrachten vast in te sturen of hun behandelplan direct digitaal te ontvangen. Maar is het eigenlijk wel veilig om op die manier gegevens uit te wisselen die te maken met hebben met je psychische gezondheid? En zijn er veiligere alternatieven?

Bijzondere persoonsgegevens

Persoonsgegevens zijn alle gegevens die herleidbaar zijn tot een persoon, of die over een persoon gaan. Bijvoorbeeld iemands naam, adres en geboortedatum. Naast deze “gewone” persoonsgegevens onderscheidt de wet bijzondere persoonsgegevens. Dit zijn gegevens die zo gevoelig zijn dat de verwerking ervan iemand privacy ernstig kan beïnvloeden. Natuurlijk vallen alle medische gegevens daar ook onder, inclusief gegevens over iemands psychische gezondheid. Het is belangrijk dat deze gegevens niet kunnen worden onderschept en niet openbaar kunnen worden.

De onveiligheid van e-mail

Voor een communicatiemiddel dat zoveel wordt gebruikt, is e-mail verrassend onveilig. Compumatica, een bedrijf met expertise op het gebied van de beveiliging van technologie, legt het op zijn website uit op een manier die ook begrijpelijk is voor mensen zonder technische achtergrond. Ius Mentis, de website van een ICT-jurist, geeft een meer technische uitleg. Samengevat:

  • Op e-mail zit geen briefgeheim. Het is niet expliciet verboden om mails die onderweg zijn te openen en te lezen.
  • E-mails zijn gewoon “leesbaar” als ze worden onderschept, net zoals een postkaart. Door verzending worden ze semi-openbaar. Als een kwaadwillend of nieuwsgierig persoon de mail onderschept, kan hij de inhoud inzien. De kans daarop is ook weer niet zo groot, maar als gevoelige informatie wordt gebruikt voor identiteitsfraude of (economische) spionage, ben je erg ver van huis.
  • Internet kent geen landgrenzen en je kunt niet zien hoe je e-mail reist. Wanneer je e-mail bijvoorbeeld door Amerikaanse kabels gaat, heeft de Amerikaanse overheid het recht om het bericht te openen. Je mail kan op zijn weg 1, 10 of wel 100 landsgrenzen passeren; dat weet je niet.
  • Een e-mail kan gemanipuleerd worden: de inhoud en de afzender kunnen veranderd worden. De ontvanger kan niet weten of de inhoud van de e-mail onderweg is veranderd (of nooit verstuurd).
  • Online e-mail providers (Hotmail, Yahoo, Gmail enzovoort) scannen de e-mails van de gebruikers. Google (eigenaar van Gmail) is hierin het slimst. De mails worden niet handmatig door een persoon gescand maar door een computer. Door te analyseren waar iemand over mailt, kunnen geschiktere reclames worden aangeboden.

Conclusie

E-mail is zo onveilig, dat je het beter niet kunt gebruiken om bijzondere persoonsgegevens mee uit te wisselen. Communiceren over je psychologische behandeling kun je dus beter doen via een ander kanaal. Je kunt daarbij denken aan post of telefoon, maar als je graag digitaal wil communiceren kun je het beste gebruik maken van een beveiligd platform. Gelukkig hebben steeds meer praktijk en instellingen dit; vraag je psycholoog er eens naar. Zo’n platform maakt een beveiligde verbinding met zowel jouw computer als die van je behandelaar en versleutelt automatisch de boodschap. Aan de kant van de ontvanger wordt hij weer automatisch leesbaar gemaakt. Een ander kan het bericht dan nog steeds wel onderscheppen, maar niet meer lezen. Iemand die kwaad wil of nieuwsgierig is, heeft er dus niets aan. Vergelijk het met een postkaart met een geheimtaal erop: alleen jij en je psycholoog hebben de sleutel en dus de toegang tot de informatie.

Toch mailen?

Zorg dat je gegevens iets veiliger zijn en gebruik deze tips:

  • Als je een beetje technisch bent aangelegd, verdiep je er dan in of je je mails zelf kunt versleutelen. Je kunt zelf gemakkelijk uitzoeken hoe je dat doet, maar Ius Mentis beschrijft de basis ook in zijn stuk.
  • Gebruik geen webgebaseerde e-mail provider zoals Hotmail, Yahoo of Gmail (met een website waarop je kunt inloggen), maar een e-mail programma dat je op je computer installeert, zoals Outlook.
  • Stuur geen mails vanaf een openbare locatie, zoals een bibliotheek of een internetcafé. Ook niet als het netwerk beveiligd is met een wachtwoord.
  • Zet gevoelige informatie alleen in een bijgevoegd bestand, niet in de tekst van de e-mail, en beveilig dat met een wachtwoord. In de helpfunctie van je tekstverwerkingsprogramma (bijvoorbeeld Word) kun je vinden hoe je dat doet. Spreek een vast wachtwoord af met je psycholoog of communiceer het op een andere manier, maar niet in dezelfde mail. Let op: hackers kunnen een bestand met een wachtwoord wel degelijk “kraken”. Deze methode is dus niet waterdicht.
  • Installeer een goede virusscanner.

kinderpsycholoog-1024x813.jpg
05/apr/2018

Elke psycholoog heeft geheimhoudingsplicht. De regels daarvoor zijn vastgelegd in dezelfde wet die voor artsen geldt, namelijk de Wet op de Geneeskundige Behandelingsovereenkomst (WGBO). In grote lijnen werkt de geheimhoudingsplicht hetzelfde voor kinderen en jongeren als voor volwassenen. Iedereen moet zich immers voldoende veilig kunnen voelen in de therapeutische relatie om vrijuit te praten – kinderen ook. Er zijn echter wel een paar dingen anders. De leeftijd van het kind speelt bijvoorbeeld een rol, er zijn ouders in het spel en soms nog andere gezagsdragers of meerdere professionals. Dit artikel geeft een overzicht van hoe het zit en sluit af met adviezen aan ouders en kinderen.

Ouders

Kinderen hebben ouders (of een andere wettelijke vertegenwoordiger zoals een voogd). Ouders zijn verantwoordelijk voor hun kinderen en daarom hebben ze recht op informatie over de medische en psychologische behandeling daarvan. Ze moeten er ook gericht toestemming voor geven en zonder duidelijke informatie kan dat niet. Ook dat vind je terug in de WGBO, namelijk in artikel 450 en 457. “Gerichte toestemming” betekent dat iemand begrijpt welk probleem er precies is vastgesteld (vaak een beschrijvende diagnose en een DSM-classificatie), welke behandelmethode er wordt voorgesteld en waarom. Ook is het belangrijk dat de ouders goed begrijpen wat er precies van hen wordt verwacht. In de kind- en jeugdpsychologie hebben de ouders namelijk vaak een actieve rol in de behandeling van hun kind, bijvoorbeeld omdat het belangrijk is dat ze hem helpen met huiswerkopdrachten of dat ze zelf ook leren anders te reageren op zijn gedrag. Vaak staat dit alles beschreven in een behandelplan. Verandert het behandelplan, bijvoorbeeld omdat de behandeling vordert en de doelen worden bijgesteld, of omdat er een andere diagnose wordt gesteld, dan moeten de ouders opnieuw geïnformeerd worden en opnieuw toestemming geven.

De psycholoog kan het verstrekken van informatie geheel of gedeeltelijk weigeren in twee situaties. De eerste is als de belangen van het kind daardoor in het geding komen. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij een vechtscheiding of mishandeling. De tweede is als het kind nadrukkelijk bezwaar heeft gemaakt tegen informatieverstrekking.

Leeftijd

Ook de leeftijd van het kind speelt een rol. De WGBO onderscheidt drie leeftijdsgroepen:

  • 0 t/m 11 jaar: de ouders moeten toestemming geven voor de behandeling en hebben een volledig informatierecht. Het kind krijgt de informatie over zijn behandeling uitgelegd op een niveau dat het kan begrijpen.
  • 12 t/m 15 jaar: ouders en kind beslissen samen en hebben allebei een zelfstandig informatierecht. Vaak stemt de psycholoog samen met het kind af wat er met de ouders gedeeld wordt. Op deze leeftijd wordt privacy immers belangrijker. Het kan zijn dat het kind dingen wil bespreken die zijn ouders (nog) niet mogen weten; dat recht heeft hij.
  • Vanaf 16 jaar: voor de WGBO is het kind meerderjarig. Een jongere mag zichzelf vanaf deze leeftijd aanmelden voor behandeling en heeft een zelfstandig informatierecht. De ouders krijgen alleen informatie als de jongere daarmee instemt.

Gezag

Bovenstaande geldt voor gezagdragende ouders. Dat zijn ouders die wettelijk gezien het gezag hebben over het kind. Het maakt niet uit of de ouders bij elkaar zijn of gescheiden zijn. Als een ouder geen gezag draagt, heeft hij nog steeds een informatierecht: hij moet in grote lijnen op de hoogte kunnen zijn van de gezondheid van zijn kind. Dit informatierecht is wel beperkter dan van een ouder met gezag.

Is er een voogd met gezag, al dan niet samen met de ouders, dan heeft ook deze een zelfstandig informatierecht. Dat wil zeggen dat hij recht heeft op dezelfde informatie als een (gezagdragende) ouder zou hebben.

Soms is er een jeugdbeschermer betrokken die geen gezag heeft, bijvoorbeeld in het kader van een onder toezichtstelling (OTS). Dit noem je ook wel een toeziend voogd; vroeger heette het een gezinsvoogd. Sinds de nieuwe jeugdwet uit 2015 mag een psycholoog de toeziend voogd de informatie verstrekken die deze nodig heeft voor het uitoefenen van de OTS – ook als de ouders daar geen toestemming voor geven. De psycholoog dient deze informatie wel zo beknopt mogelijk te houden.

Andere behandelaren en professionals

Sinds de invoering van het passend onderwijs in 2014 en de decentralisatie van de jeugdzorg in 2015, wordt er steeds meer informatie over kinderen en jongeren gedeeld. Dat komt doordat scholen, wijkteams en zorgprofessionals (“ketenpartners”) meer samenwerken. Dat heeft zeker goede kanten, maar privacytechnisch zitten er nogal wat haken en ogen aan. Moet een school bijvoorbeeld altijd op de hoogte zijn van de diagnose van een kind? Zo ja, hoe uitgebreid is de informatie die verstrekt wordt, wie heeft daar inzage in en hoe wordt het bewaard? Heeft de gemeente recht op informatie nu deze de jeugdzorg indiceert en betaalt? Wat gebeurt dan vervolgens met die gegevens en hoe lang blijven ze in een dossier staan? Kan het ook nadelige gevolgen hebben? Dit artikel in de Groene Amsterdammer (mei 2017) zet het misschien wat te dik aan, maar legt ook zeker een vinger op de zere plek. Gemeenten en professionals zijn zich terdege bewust van de problemen en maken ook steeds betere afspraken, bijvoorbeeld binnen de coalitie ‘in goed vertrouwen; de privacy van de jeugd geborgd’.

Adviezen

Voor kinderen, jongeren en ouders is het volgende belangrijk:

  • De psycholoog heeft geheimhoudingsplicht en mag niet zonder toestemming gegevens verstrekken aan derden;
  • Wil je toestemming geven voor gegevensuitwisseling, bijvoorbeeld omdat je het zelf handig vindt dat verschillende ketenpartners met elkaar overleggen, vraag dan om inzage (vooraf!) in wat er wordt verzonden en vraag om een zo minimaal mogelijke uitwisseling. Sta er bijvoorbeeld bij stil of je het goed vindt dat een volledig onderzoeksverslag wordt verstrekt of liever alleen de eindconclusie (zoals hij ook in het behandelplan staat);
  • Vraag na wat precies het doel is van de verstrekking, hoe gegevens verzonden en bewaard worden, waar ze voor gebruikt worden en wie er inzage in heeft;
  • Maak onderscheid tussen hulpverleners en niet-hulpverleners. Hulpverleners zijn bijvoorbeeld psychologen, (ambulant) begeleiders, artsen, vaktherapeuten en fysiotherapeuten. Deze zijn allemaal gebonden aan het medisch beroepsgeheim. Niet-hulpverleners zijn bijvoorbeeld leerkrachten, medewerkers van het kinderdagverblijf en medewerkers van het wijkteam. Zij zullen ook zorgvuldig omgaan met privacygevoelige informatie maar zijn niet gebonden aan dezelfde strikte regels;
  • Er zijn een paar uitzonderingssituatie op de geheimhoudingsplicht, waaronder het melden van huiselijk geweld en kindermishandeling bij Veilig Thuis. Dit mag echter niet zomaar: het is een allerlaatste redmiddel en daarom moeten er verschillende stappen worden doorlopen. Sinds 2017 geldt voor alle hulpverleners het basismodel meldcode;
  • Twijfel je over een situatie waarin het delen van gegevens een rol speelt? Doorloop de privacy-app van Jeugdconnect eens, die geeft op bijna alle vragen een antwoord, gemakkelijk geschreven en passend bij de huidige wet- en regelgeving.

Trinity-Kubassek-via-stocksnap-1024x683.jpg
04/mrt/2018

Eerder schreef ik al een artikel over het opvragen van je eigen dossier bij je psycholoog. Daarin beloofde ik een vervolgstuk over de regels voor dossiers van kinderen en jongeren. Om eerlijk te zijn kon ik me er vervolgens moeilijk toe zetten dit artikel ook te schrijven. Dat heeft een reden: het opvragen van (volledige) dossiers van kinderen heeft een ontzettend ingewikkelde kant, zowel voor ouders en kinderen als voor de behandelend psycholoog. Het antwoord is dus ook minder eenduidig dan bij een volwassene die inzage wil in zijn eigen dossier. Althans, wettelijk gezien is het simpel: ja het mag. Maar er zijn belangrijke redenen om toch te adviseren: doe het niet.

Wettelijke rechten

Om maar bij het gemakkelijke deel van de vraag te beginnen: iedere gezagdragende ouder heeft recht op informatie over de behandeling van zijn kind, tot 16 jaar. Dat is vastgelegd in de Wet op de Geneeskundige Behandelings Overeenkomst. De bepalingen voor psychologen zijn hetzelfde als voor artsen. Dit informatierecht heeft betrekking op uitleg, in begrijpelijke taal, over de problematiek of de diagnose van je kind, de behandeling, de gevolgen en risico’s daarvan en eventuele andere behandelmogelijkheden. Psychologen die in de GGZ werken, stellen in de regel een behandelplan op (dat ze zo nodig ook tussentijds bijstellen), een onderzoeksverslag als er testdiagnostiek is gedaan en een eindverslag. Die hoor je in ieder geval te ontvangen en het is ook nodig dat je instemt met het behandelplan, voordat de therapie van start kan gaan. Daarnaast bevat een dossier aantekeningen van alle gesprekken met ouder en kind en eventuele overleggen.

Als de psycholoog denkt dat informatie die hij heeft slecht kan vallen, is dat geen reden om ouders de informatie niet te geven. De hulpverlener heeft zelfs een actieve informatieplicht, dat wil zeggen dat hij moeite moet doen om beide ouders te informeren en na te gaan of ze de informatie begrijpen. Ook als ouders gescheiden zijn maar wel beiden het wettelijk gezag dragen. In de jeugdzorg is het trouwens meestal ook noodzakelijk om ouders inhoudelijk te betrekken bij de behandeling, dus een psycholoog zal graag het initiatief nemen om ervoor te zorgen dat je goed op de hoogte bent.

Is er een ouder in beeld die geen wettelijk gezag heeft, dan heeft die een beperkter informatierecht. Dat betekent dat ook een ouder zonder wettelijk gezag recht heeft op globale informatie over de gezondheid en opvoeding van zijn kind, maar bijvoorbeeld geen inzagerecht in het dossier. Gezagdragende ouders hebben dat wel. Het antwoord op de vraag is vanuit de wet dus gemakkelijk: ja, je mag het dossier van je kind inzien en opvragen, mits je het gezag draagt.

Uitzonderingen

Er zijn een aantal uitzonderingen op het inzagerecht. Die zijn geregeld in de WGBO, maar ook in de beroepscode van het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP).

De psycholoog mag bijvoorbeeld afwegen of de belangen van het kind niet te zeer geschaad worden als ouders alle dossieronderdelen kunnen inzien. Dat kan bijvoorbeeld spelen in situaties rondom echtscheiding of huiselijk geweld. De privacy van het kind om vrijuit over deze onderwerpen te praten kan dan belangrijker zijn dan het (onbeperkte) inzagerecht van de ouders.

Ook als het kind bezwaar maakt tegen informatieverstrekking, kan dat een geldige reden zijn om ouders inzage te weigeren. Dit geldt in het bijzonder voor kinderen tussen de 12 en 16 jaar. Bij deze leeftijdsgroep stelt de psycholoog hen ook meestal op de hoogte als een van de ouders informatie opvraagt, omdat er sprake is van een gedeeld informatierecht van ouders en kind.

Verder kunnen, net als bij volwassenen, de werkaantekeningen van de psycholoog (zijn eigen geheugensteuntjes) niet worden opgevraagd.

En tot slot hoeft de psycholoog geen informatie uit het kinddossier te verstrekken die over iemand anders gaat. Denk bijvoorbeeld weer aan echtscheiding. Als ouders apart van elkaar gesprekken hebben met de psycholoog van hun kind, zullen daarin vaak ook hun eigen zorgen en gedachten aan bod komen. Soms ook hun visie op de scheiding. Deze gespreksaantekeningen kunnen nooit inzichtelijk zijn voor de andere ouder.

Waar je verder rekening mee moet houden

Het opvragen van het volledige dossier van de behandeling van iemand anders is nogal wat. Ook als het je eigen kind betreft. In een behandeling stelt iemand zich kwetsbaar op en zegt soms dingen die hij nog nooit aan iemand anders heeft vertelt, ook over zijn gezinsleden. Die vertrouwensrelatie is nodig in de therapie en is heel kostbaar. Als een psycholoog ouders informeert over het verloop, zoals hij verplicht is om te doen en meestal graag zal willen vanuit behandeloogpunt, zal hij zich daarom meestal beperken tot de eerder genoemde hoofdlijnen: het behandelplan, bijstellingen daarvan, onderzoeksresultaten en het eindverslag. Bij tieners (12-16 jaar) bespreekt de behandelaar meestal vóór wat hij met de ouders wil delen. Dit beperken tot hoofdlijnen heeft een reden en die heeft te maken met de privacy van het kind, die ook een mens is en het recht heeft zijn gedachten en gevoelens vrijuit te verkennen. Het verstrekken van details zoals gespreksverslagen aan ouders is daarom heel ongebruikelijk en kan de therapeutische relatie met het kind zonder verder pardon om zeep helpen. Zeker als de aantekeningen vervolgens door ouders gebruikt worden om het kind verder uit te horen of, erger nog, als bewijs in een rechtszaak. Mijn dringende advies is daarom: vraag gerust om informatie over de behandeling van je kind als je die nog niet hebt ontvangen, daar heb je recht op, en vraag vooral door als je de informatie niet begrijpt. Maar: respecteer de privacy van je kind en vraag niet het hele dossier op. Zeker niet als je de gespreksaantekeningen of losse testuitslagen ergens voor wil gebruiken waar ze niet voor bedoeld zijn, zoals voor een rechtszaak. Daarmee zet je je kind in een ongelooflijke lastige en schadelijke positie, en hij zal het eerste kind niet zijn dat daardoor dichtklapt en niet alleen zijn vertrouwen in hulpverleners verliest, maar ook in jou als ouder. En dan ben je veel verder van huis.

Mag iemand anders het dossier van mijn kind opvragen?

Nee, behalve de ouders mag alleen een gezagdragend voogd dat, als die er is. Daarbuiten zijn er slechts een paar situaties waarin een psycholoog gegevens mag of moet verstrekken, want hij heeft geheimhoudingsplicht. Maar ook in die gevallen zal hij alleen de hoogst noodzakelijke gegevens verstrekken en niet het hele dossier, precies om dezelfde reden die ik hierboven beschreef.


© Psychologie Vandaag, kenniscentrum en online therapie 2018. Alle rechten voorbehouden.