Laden. Even geduld aub.

Telefoon0683775936EMAIL: linda [@] psychologievandaag.nlOPENINGSTIJDEN:Maandag-vrijdag 09:00-17:00
brain.jpg
13/apr/2021

In deze serie leg ik je alles uit wat je nog niet wist over autisme. En vandaag slaan we twee vliegen in één klap, want dit onderwerp heeft ook betrekking op ADHD. Het gaat over de vraag: kun je autisme en ADHD zien op een hersenscan?

Heel vreemd bedacht is deze vraag niet. Autisme en ADHD worden immers allebei gezien als neurobiologische ontwikkelingsstoornissen. Dat betekent wel degelijk dat ervan wordt uitgegaan dat het brein van mensen met deze stoornissen, anders werkt dan dat van de gemiddelde mens.

Mensen met autisme lijken bijvoorbeeld  prikkels anders te verwerken. Tijdens hun levensloop zijn er vergrotingen en verkleiningen van bepaalde hersengebieden, en afwijkingen in de verbindingen tussen hersengebieden, die je bij de meeste mensen niet ziet (Staal, 2016). Ook tussen mensen met autisme onderling zijn de verschillen echter groot. En er zijn zoveel factoren die invloed hebben op de ontwikkeling van de hersenen, dat je ze nooit allemaal in kaart zou kunnen brengen. Bijvoorbeeld wat iemand heeft meegemaakt, hoe de interactie is met zijn omgeving (werk, school, gezin), en wat hij voelt, denkt en ervaart. Daarom kun je nooit zeggen hoe “het” autistische brein eruitziet. En kun je het dus niet zien op een scanner. Autisme kan alleen worden aangetoond aan de hand van gedragskenmerken, vast te stellen via vragenlijsten, interviews en observaties.

Ditzelfde geldt voor ADHD. Onderzoek wijst erop dat de ontwikkeling van neurologische verbindingen verstoord is bij mensen met deze stoornis (Thapar et al., 2013). En we weten natuurlijk dankzij onderzoek welke hersengebieden te maken hebben met aandacht. Bij mensen die daar moeite mee hebben, functioneren die gebieden vast anders. Maar ook daar is het samenspel met al die andere factoren (omgeving, persoonlijkheid, ervaringen) heel groot. Er is echt geen bewijs voor beweringen van artsen zoals de Amerikaanse dokter Daniel Amen, die zegt dat je ADHD en zelfs subtypes daarvan kunt vaststellen met een scanner. De plaatjes zijn prachtig, maar ze betekenen niks.

In dit filmpje legt Dienke Bos, van het UMC Utrecht en de Dutch Neurofederation, het heel goed uit. Mijn take-away van de boodschap die ze brengt met haar werk: “We zijn allemaal anders. En als je een diagnose ADHD of autisme hebt: er is niks stuk.”


Bronnen:

Staal, W. (2016). Autismespectrumstoornissen. In: Leerboek ontwikkelingsstoornissen in de levensloop. Een integrale medische en psychologische benadering, 221-243.

Thapar, A., Cooper, M., Eyre, O., & Langley, K. (2013). Practitioner review: what have we learnt about the causes of ADHD?. Journal of Child Psychology and Psychiatry, 54(1), 3-16.


autisme3.jpg
11/jan/2021

Deze maand vertel ik je alles wat je nog niet wist over autisme. Het vorige artikel beschreef wat autisme eigenlijk is. Kort gezegd: een zeldzame stoornis in het sociaal begrip, de communicatie en de verbeelding. De ontwikkeling verloopt daardoor anders, of ongelijker, dan bij de meeste mensen. Mensen met autisme zijn vaak (prikkel)gevoelig, hebben moeite met veranderingen en houden van routine en dingen die hetzelfde zijn. Ze kunnen meestal heel goed dingen uitdenken en zijn vaak zorgvuldig en eerlijk.

Autisme valt in de DSM-5 onder de neurobiologische ontwikkelingstoornissen. Dat wil zeggen dat ervan wordt uitgegaan dat er een oorzaak is in het brein. Hoe het brein van iemand met autisme precies werkt, weten we echter niet. Daarvoor is de stoornis te veelvormig en is het hersenonderzoek nog niet ontwikkeld genoeg.

Kun je autisme genezen?

Deze kijk op autisme betekent dat je de stoornis niet kunt genezen, in die zin dat iemand er helemaal van af komt. Wel kun je iemand weer helpen om in ontwikkeling te komen, en zo min mogelijk last te hebben van zijn autisme. Een behandeling moet altijd op maat gemaakt worden. Wat werkt bij de ene persoon met autisme en zijn gezin, werkt niet bij de ander.

Behandelonderdelen

Het Nederlands Jeugdinstituut ontwerpt in Nederland de behandelrichtlijnen voor kinderen en jongeren. Voor volwassenen zijn er GGZ-richtlijnen ontwikkeld. Voor autisme zijn beide richtlijnen samengevoegd. Heel logisch eigenlijk, aangezien het een levenslang probleem betreft.

In de richtlijnen staan de volgende behandelonderdelen. Ze zijn niet altijd allemaal nodig. Het idee is dat je samen met behandelaar kiest wat nodig is in jouw situatie, of in die van je kind. Voor jongere kinderen zal het accent anders liggen dan voor oudere kinderen of volwassenen. Hoe jonger de persoon, hoe meer de behandeling gericht zal zijn op de omgeving (gezin, school, enzovoort) en hoe minder inzicht en verandering van het kind wordt verwacht.

1. Alle ins & outs weten

De eerste stap is psycho-educatie, oftewel uitleg over wat autisme inhoudt. Sommige instellingen bieden dit aan in groepen, maar je kunt vaak ook één op één met een behandelaar werken. Belangrijk is dat je goede informatie krijgt over wat het jouw autisme of dat van jouw kind inhoudt en wat het betekent voor het functioneren. Het is verstandig om veel door te vragen en zelf ook zoveel mogelijk op te zoeken over het onderwerp. Met meer kennis sta je sterker. Dit onderdeel is ontzettend belangrijk: het vormt de basis voor alle overige interventies. Jullie denken tijdens de psychoeducatie ook vast na over het je toekomstperspectief, of dat van je kind. .

 

2. Vertalen naar wat dit betekent voor je leven

In de behandelrichtlijn heet dit “versterken van zelfmanagement en relatie met de omgeving”. Dat betekent dat jij en je gezin leren het autisme te begrijpen, te accepteren en een plek te geven in jullie leven. Dit is een ingewikkeld proces dat vaak ook schommelt door de tijd heen. Autisme kan zich immers op verschillende leeftijden uiteenlopend laten zien, of andere problemen geven. Waar het bij dit onderdeel om gaat is dat jullie zelf de regie nemen over jullie leven samen. Dat doe je bijvoorbeeld door te leren anders met problemen om te gaan, handvatten te ontwikkelen voor in het dagelijks leven, en de omgeving aan te passen zodat deze gestructureerd en voorspelbaar is. Problemen met plannen en organiseren (de zogeheten executieve functies) verdienen vaak extra aandacht.

 

3. Werken aan de dingen waarin ontwikkeling mogelijk is

Dat kan met gerichte interventies, bijvoorbeeld psychologisch, therapeutisch, stressreducerend en medicamenteus. In deze therapieën is vaak aandacht voor het herkennen van de eigen grenzen en emoties. Oudere kinderen, hun ouders en volwassenen met autisme kunnen leren omgaan met onduidelijkheden, prikkels en stress, en ze kunnen beter leren communiceren. Er zijn heel veel verschillende therapieën. Sommige maken gebruik van taal en nadenken, maar andere zijn non-verbaal. Bijvoorbeeld door gebruik te maken van spel voor kinderen, of kunstzinnige of bewegingsgerichte methodieken voor volwassenen. Het is ook mogelijk gezinstherapie of relatietherapie te volgen. Medicijnen worden weleens ingezet om bijkomende problemen te verminderen zoals hyperactiviteit, aandachtstekort, angst-, dwang- of stemmingsstoornissen. Er bestaat vooralsnog geen medicatie die de kernsymptomen van autisme vermindert. Medicatie dient altijd deel uit te maken van een psychologische behandeling en moet nooit “los” worden ingezet.

4. Een plan maken voor gebieden waarop geen ontwikkeling mogelijk is

Hiervoor is vaak specifieke expertise en ondersteuning nodig. Wanneer duidelijk is dat er voor langere tijd hulp nodig is, kan overwogen worden om op zoek te gaan naar een aangepaste, beschermde leefomgeving wat betreft wonen, onderwijs en/of werken met meer of minder intensieve persoonlijke begeleiding. Vaak is in deze situaties sprake van een combinatie van behandelen en begeleiden. Ook als er sprake is van comorbiditeit (meerdere stoornissen tegelijk) is er vaak specifieke expertise nodig.

 

5. Aan het roer staan van je eigen leven

Sommige mensen met autisme, maar zeker niet allemaal, hebben levensloopbegeleiding nodig en steun bij participatie en herstel. Bij autisme kunnen vragen ontstaan in verschillende levensfasen waarvoor behandeling en/of begeleiding nodig is. Deze interventies zijn gericht op herstel: een situatie waarin de patiënt geen patiënt blijft, maar het heft weer in eigen hand neemt, samen met zijn gezin. Participatie gaat over wat daarvoor nodig is. Kortom: wat is nodig om mee te doen in de maatschappij op een manier die bij iemand past? En wat heeft iemand nodig om weer zelf aan het roer van zijn eigen leven te komen staan?

 

Waar kun je de behandeling volgen?

Waar je behandeling volgt, hangt af van je eigen voorkeur en van de aard en ernst van het autisme. Soms kan dit in een generalistische basis GGZ (kleine psychologenpraktijken), maar soms is er meer specialistische hulp nodig. Weet je niet waar je moet beginnen? Leg de vraag eens voor aan de praktijkondersteuner (POH-GGZ) bij de huisarts. Die is helemaal thuis in welke praktijken en instellingen er bij jou in de buurt zitten en kan samen met jou verhelderen welke hulp het beste bij jou en je gezin past. Soms kan dit ook iemand van het wijkteam zijn.


autisme.jpg
04/jan/2021

Deze maand vertel ik je alles wat je nog niet wist over autismespectrumstoornissen. We beginnen bij het begin: wat is autisme, en wat is het niet?

Wat is autisme?

De term autisme wordt in het dagelijks leven vaak gebruikt voor kinderen of volwassenen die over weinig sociale vaardigheden beschikken, en die dingen graag op een bepaalde manier willen hebben. Dat klopt ongeveer. Mensen met autisme kunnen zich moeilijk inleven in anderen en slaan daardoor vaak de plank mis in sociaal contact. Daarnaast houden ze van regelmaat: ze hebben moeite met verandering, kunnen star of rigide zijn, en in nieuwe of onoverzichtelijke situaties zijn ze snel overprikkeld.

Autisme is een zeldzame stoornis: het komt slechts voor bij 1% van de bevolking. Het is een stoornis die op een spectrum bestaat, van licht naar zwaar. Daarom wordt ook wel van een autismespectrumstoornis gesproken, of ASS. In de DSM-5 wordt autisme onder de neurobiologische ontwikkelingsstoornissen geschaard. Neurobiologisch betekent dat het zijn oorsprong vindt in de hersenen. En ontwikkelingsstoornis wil zeggen dat we ervan uit gaan dat de ontwikkeling van iemand met autisme atypisch verloopt. Dus: anders dan die van de meeste anderen. Maar hoe dan?

Autisme als vertraagde ontwikkeling

De beste definitie die ik ooit ben tegengekomen, is die van Delfos (2018), een Nederlandse autismespecialist. Zij legt uit dat de ontwikkeling bij mensen met autisme op het niveau van de hersenen op het ene gebied sneller verloopt dan gemiddeld, en op het andere gebied langzamer. Mensen lopen meestal aan tegen de gebieden waarop ze langzamer zijn, omdat ze daardoor minder goed kunnen meekomen. Deze gebieden zijn:

  1. de sociale omgang met anderen. Mensen met autisme kunnen zichzelf en de eigen gevoelens niet goed begrijpen en verwoorden, en begrijpen daardoor ook de ander niet. Gedrag van andere mensen is onvoorspelbaar en kan daarom beangstigend zijn. Ze overzien situaties niet, kunnen zich verliezen in details en hebben dus moeite met flexibel schakelen. Het helpt niet mee dat mensen met autisme vaak (ongeveer 40%) overgevoelige zintuigen hebben. Ze kunnen bijvoorbeeld niet tegen fel licht of harde geluiden.
  2. Ongeveer de heft van de kinderen met autisme heeft een trage taalontwikkeling. Oogcontact kost ze vaak moeite en er is weinig sprake van wederkerigheid, of over-en-weer contact. Mensen met autisme kunnen soms eindeloos doorpraten over iets wat ze zelf interessant vinden, zonder te merken dat de ander afhaakt. Hun taalgebruik kan eigenaardig zijn – bijvoorbeeld heel formeel, zakelijk of overbeleefd. Mensen met autisme moeten vaak goed nadenken over de communicatie met anderen en het kost veel energie.
  3. Kinderen met autisme laten meestal weinig fantasiespel zien. Door dit weinig te doen, ontwikkelen ze bepaalde vaardigheden niet. Juist in spel oefen je immers met rollen, met doen alsof, met je verplaatsen in anderen. Mensen met autisme hebben eerder een voorkeur voor voorwerpen, en vaak voor techniek. Ze hebben veel herhalingen in hun gedrag en deze nemen vaak obsessieve vormen aan, zeker wanneer er stress bestaat. Rituelen brengen orde in hun wereld aan en ze verdragen het daarom vaak niet als die orde verstoord wordt.

Mensen met autisme blinken echter ook uit in dingen. Ze zijn bijvoorbeeld meesterlijk in het uitdenken en begrijpen van iets, en ze zijn ontzettend eerlijk en zorgvuldig.

Deze definitie is nog heel breed. Dat komt doordat de ene persoon met autisme simpelweg de andere niet is, maar ook doordat er nog geen volledig verklaringsmodel is voor autisme. We weten dus een heleboel dingen nog niet.

Wat is autisme in ieder geval niet?

Autisme wil dus in ieder geval niet zeggen dat iemand zich niet meer kan ontwikkelen. Het betekent alleen dat de ontwikkeling trager verloopt dan je zou verwachten op basis van iemands leeftijd. Sluit je aan bij iemands ontwikkelingsniveau, dan kan ook iemand autisme vaak weer in ontwikkeling komen. Dit vraagt de juiste expertise, een aandachtige en steeds goed afgestemde begeleiding, en bovenal vertrouwen in de persoon. Dat betekent niet dat je autisme kunt genezen – zoals we autisme nu begrijpen is het een kenmerk van de persoon, en is er geen medicijn of behandeling die het wegneemt. Maar het betekent wel dat de benadering heel veel uitmaakt voor de groei die iemand met autisme kan doormaken en, belangrijker nog, hoe hij zich voelt.

Meer lezen

De websites van het Nederlands Jeugd Instituut, Thuisarts en oudervereniging Balans Digitaal hebben goede, leesbare informatie over autisme.

Bron:

Delfos, M. (2018). Een vreemde wereld, tiende druk. Uitgeverij SWP, Amsterdam.


adhd-medicatie.jpg
29/jan/2020

Bij de behandeling van ADHD wordt snel gedacht aan medicatie. In de praktijk kom ik veel ouders en kinderen tegen die daar bedenkingen bij hebben. Gedeeltelijk terecht, zoals we hieronder zullen zien. Maar hoe maak je nou een afgewogen keuze voor jezelf of je kind? En als je niet kiest voor medicatie, wat zijn dan je behandelopties? De informatie in dit artikel kan geen medisch advies vervangen van een arts die jou of jullie kent, maar helpt je op weg om het gesprek te voeren of keuzes te maken.

Wat is ADHD-medicatie?

Bij ADHD-medicatie voor kinderen hebben we het meestal over een vorm van methylfenidaat. Dit is de naam van de stof. Methylfenidaat is op de markt onder verschillende merknamen, zoals Concerta, Equasym, Kinecteen, Medikinet, Methylfenidaat en Ritalin. Tweede keuze is dexamfetamine (stofnaam), op de markt onder de naam Amfexa of Dexamfetamine FNA. De reden waarom dit medicijn tweede keuze is, is omdat er minder onderzoek naar is gedaan bij kinderen. Op de website van Apotheek.nl lees je meer over de verschillende medicatiesoorten. Op zoek naar een meer medisch-technische uitleg? Bekijk de website van het Farmacotherapeutisch Kompas.

Methylfenidaat en dexamfetamine zijn stimulerende middelen. Ze vallen in dezelfde klasse als de drug amfetamine. Ze worden voorgeschreven op basis van het idee dat het brein van kinderen met ADHD te ongeconcentreerd is, waardoor ze dromerig óf juist druk worden. Vergelijk het met koffie bij volwassenen: het neemt gevoelens van slaperigheid weg en maakt je gefocust. Je hart gaat wat sneller kloppen, je bloeddruk stijgt en je bent alerter. ADHD-medicatie werkt hetzelfde.

Voor volwassenen worden ook vaak stimulerende middelen voorgeschreven, maar meer verschillende. Kijk eens in de richtlijn van de NVvP welke het zijn. Daarnaast zijn er een tweetal niet-stimulerende middelen: atomoxetine en bupropion.

Ongeveer 75% van de kinderen en volwassenen met ADHD heeft baat bij stimulerende medicatie. Bij ongeveer 60% werkt methylfenidaat. Het is dus zeker geen oplossing voor iedereen.

Wat is het officiële advies?

De richtlijn van het Nederlands Jeugd Instituut en het Farmacotherapeutisch Kompas zeggen hetzelfde: liever geen medicatie als eerste behandelvorm. Er zijn goede pedagogische en psychologische behandelvormen die veel opleveren en geen bijwerkingen hebben. Bovendien is het resultaat duurzamer. Medicatie lost immers niks op: als het pilletje is uitgewerkt, is het probleem nog steeds hetzelfde. De persoon heeft niet geleerd ermee om te gaan. Het Nederlands Jeugd Instituut zegt daarom: medicatie in principe alleen bij ernstige vormen van ADHD. Het gaat dan om kinderen die zoveel last hebben van hun ADHD, dat ze niks aan een psychologische interventie hebben. Ze pikken er simpelweg niets van op. Tegelijkertijd lijden ze in hun dagelijks leven, in die zin dat ze meestal forse problemen hebben op school en in de omgang met leeftijdsgenoten. Het Farmacotherapeutisch Kompas zegt hetzelfde: alleen als niet-medicamenteuze behandeling onvoldoende verbetering oplevert, kan ter ondersteuning medicatie worden overwogen.

Ook voor volwassenen is het advies medicatie niet losstaand te gebruiken, maar alleen als onderdeel van een uitgebreid behandelprogramma gericht op psychologische, gedragsmatige en educatieve of beroepsmatige problemen.

Voor zowel kinderen als volwassenen geldt dat de behandeling moet plaatsvinden onder toezicht van een gespecialiseerde arts op het gebied van gedragsstoornissen bij kinderen, adolescenten of volwassenen. Daarmee wordt een psychiater bedoeld. Het voorschrijven van ADHD-medicatie door de huisarts wordt afgeraden. Pas als iemand langdurig stabiel is ingesteld op medicatie en de therapie is afgerond, kun je denken aan overdracht naar de huisarts. Waarbij het belangrijk is dat deze daadwerkelijk vinger aan de pols houdt hoe het gaat en op tijd vraagt om een herbeoordeling door een specialist.

Voor- en nadelen

Onderstaande lijst is samengesteld uit bovengenoemde richtlijnen en het handboek van Carr (2006).

Er is in feite één groot voordeel aan ADHD-medicatie:

  • Kinderen en volwassenen met ernstige ADHD kunnen heel snel een flinke vermindering van de kernsymptomen van ADHD ervaren (impulsiviteit, hyperactiviteit en aandachtstekort). Ik ken gezinnen waarin deze verlichting nodig was en niet op een andere manier bereikt kon worden. Soms was alles al geprobeerd. De medicatie gaf rust en maakte dat het kind weer aan zijn ontwikkelingstaken toe kwam. Dit kan ook voor volwassenen zo zijn.

Nadelen zijn er ook. Uiteraard zijn ze niet allemaal op iedereen van toepassing. Maar neem vooral het volgende in overweging:

  • Alle medicijnen hebben bijwerkingen. Dit geldt zeker voor medicatie die voor ADHD wordt gegeven: dit zijn geen lichte medicijnen en veel kinderen en volwassenen hebben een of meerdere bijwerkingen. Kijk maar eens in de informatie op Apotheek.nl en het Farmacotherapeutisch Kompas wat dit kan zijn.
  • Je moet er steeds aan denken. Juist voor mensen met ADHD is dit lastig.
  • Bij volwassenen is er een risico op misbruik of verslaving. Voor kinderen wordt dit in onderzoek niet teruggevonden. Ook komt uit onderzoek niet naar voren dat kinderen op deze manier leren om problemen met een pil op te lossen.
  • Volwassenen kunnen er agressiever van worden. Kinderen kunnen er tics door ontwikkelen. Sommige mensen rapporteren dat ze nerveuzer of angstiger worden.
  • Zodra je de medicatie niet meer gebruikt, is het effect weg.
  • Volwassenen kunnen het niet gebruiken tijdens zwangerschap of borstvoeding.
  • De gevolgen voor veiligheid en werkzaamheid op de lange termijn zijn onvolledig bekend.
  • Er zijn aanwijzingen voor een verhoogde kans op hartproblemen, maar dit komt niet eenduidig uit de onderzoeken naar voren.
  • Zowel kinderen als volwassenen geven soms aan zich niet zichzelf te voelen tijdens het gebruik.

De metafoor van de berg en de helikopter

Onlangs las ik een mooie metafoor (Stolp, 2010, p. 62). Daarin wordt de ervaring die middelen met zich meebrengt, vergeleken met een helikopter die je huurt om je op de top van een van de hoogste bergen ter aarde te laten afzetten. Je komt er snel, hoeft geen inspanning te verrichten en kunt toch genieten van het prachtige uitzicht op de top van de berg.

Als je niet de helikopter neemt, maar stap voor stap de berg beklimt, kies je voor een moeilijkere weg. Je hebt te maken met risico’s, zware inspanningen, gewichtsverlies, een zorgvuldige planning van hoe je het best de top kunt bereiken, enzovoort. Je zou deze bergbeklimming kunnen vergelijken met de andere behandelvormen voor ADHD: ze kosten heel wat meer energie, je moet er meer tijd en geld voor overhebben, je wanhoopt weleens of het werkt en zal lukken.

Maar de bergbeklimmer die de top bereikt, heeft op die moeizame toch wél iets heel bijzonders veroverd. Dit houdt hij zijn hele leven. Hij wint doorzettingsvermogen, de diepe vreugde dat het gelukt is, en daarom een gegroeid zelfvertrouwen. De bergbeklimmer staat nadien anders, sterker in het leven en is steviger in zichzelf geworteld dan voordien. Een levensstorm zal haar of hem niet meer zo snel omkegelen als voor die tijd: hij of zij heeft zijn eigen krachten leren kennen en heeft daarop leren vertrouwen. Terwijl degene die zich met de helikopter liet afzetten op de top niets geleerd heeft.

De afweging om medicatie draait soms om het punt of ouders, kinderen en volwassenen de moed hebben de berg te beklimmen in plaats van zich met een helikopter op de top van de berg af te laten zetten. Stolp roept elke ouder op deze vraag zorgvuldig te overdenken. Dit advies kan ik van harte onderschrijven.

Een laatste advies

Bovenstaande informatie en overwegingen kunnen geen gericht advies van een arts vervangen, die jou en/of je kind kent. Elke situatie is anders. Zorg dat je zelf goed weet wat je wil en bespreek eventuele twijfels, maar sta open voor medisch advies. Succes!

Bronnen:

De in de lopende tekst genoemde richtlijnen en websites

Carr, A. (2006). The handbook of Child and Adolescent Clinical Psychology. Routledge, Londen.

Stolp, H. (2010). De levensopdracht van nieuwetijdskinderen. Wie ze zijn en wat ze ons leren. Uitgeverij Ankh-Hermes, Deventer.


adhd-behandelen-e1601890175798.jpg
25/jan/2020

ADHD wordt gezien als een stoornis die in aanleg aanwezig is. Dat betekent dat het niet te genezen is, zoals je bijvoorbeeld hoofdpijn geneest. Behandeling richt zich meestal op het beter leren begrijpen van de ADHD en er anders mee leren omgaan. Op die manier hebben kinderen en volwassenen vaak minder last van de symptomen. Medicatie kan onderdeel uitmaken van de behandeling, maar dat hoeft niet.

Voor het samenstellen van deze informatie heb ik de websites van het Nederlands Jeugd Instituut, en het Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie gebruikt. Zij hebben de meest up to date wetenschappelijke informatie en hun richtlijnen zijn multidisciplinair. Dat betekent dat er niet alleen is gekeken wat één discipline (bijvoorbeeld een psycholoog of psychiater) kan doen, maar juist wat verschillende disciplines kunnen bijdragen aan de behandeling. En hoe ze kunnen samenwerken.

Ik heb ook gekeken bij de multidisciplinaire GGZ richtlijnen voor volwassenen, maar die blijken niet te bestaan! Wel is er een richtlijn van de NVVP, de beroepsvereniging voor psychiaters, maar die gaat vooral over medicatie.

In zo’n geval kun je het beste “analoog redeneren”. Dus de meest uitgebreide richtlijn bestuderen (voor kinderen), en dan kijken wat je daaruit kunt gebruiken voor andere doelgroepen (volwassenen).

Behandeling

Een ADHD-behandeling kan het best bestaan uit verschillende onderdelen. In de richtlijnen worden de volgende onderdelen genoemd:

  1. Psychoeducatie. Dat wil zeggen: uitleg over de stoornis. Hoe beter je immers begrijpt waar je precies mee te maken hebt, hoe sterker je basis. ADHD is een complexe stoornis en je hebt veel meer informatie nodig dan een paar websites met lijstjes met criteria. Goede psychoeducatie houdt in dat je een paar gesprekken de tijd neemt om de ins & outs te leren. Ook bespreek je welke kenmerken je wel en niet herkent. De ene persoon met ADHD is immers de andere niet. Psychoeducatie wordt soms in groepen of cursussen gegeven. Dat kan enorm goed helpen om snel veel informatie en ervaringen te verzamelen. Sommige hulpverleners bieden psychoeducatie online aan. Je kunt de informatie dan rustig in je eigen tijd doornemen en spart op afstand met een behandelaar over wat van toepassing is op jou of je kind.
  2. Ouder- of leerkrachttraining. Dit wordt vooral aangeraden bij kinderen jonger dan 6 of 8 jaar. Waarom moeten de ouders aan de bak en niet het kind? Heel simpel: kinderen zijn impulsief en overzien hun gedrag nog helemaal niet zo goed. Dit geldt zeker voor kinderen met ADHD. Het is niet realistisch om van hen te verwachten dat ze zelf hun gedrag kunnen aanpassen. Kinderen zijn op deze leeftijd wel gevoelig voor wat hun omgeving doet. Hoe meer rust, structuur en duidelijkheid je geeft, hoe gemakkelijker het voor je kind is om dit over te nemen. De ADHD is dan niet weg, maar blijft beperkt tot het “gestructureerde kader”. Deze interventies zijn niet gemakkelijk om te leren. Zeker niet als je zelf misschien ook wat ADHD-trekken bij jezelf herkent en structuur niet je sterke kant is. Neem hier de tijd voor. Het zijn niet zomaar een aantal tips die je inzet, het vraagt echt inoefenen en aanpassen aan wat voor jullie als gezin werkt. Dit prroces is soms frustrerend, maar als je doorzet zul je zien dat het jullie veel oplevert. En als het goed is versterkt het je band.
  3. Kindtherapie. Dit kan dus ongeveer vanaf 8 jaar. Je kunt bijvoorbeeld denken aan:
    1. cognitieve gedragstherapie. Vaak leren kinderen hun impulsen beter onder controle te houden. Meestal wordt er een stop-denk-doe methode gebruikt. Kinderen leren nieuwe strategieën aan om met moeilijkheden om te gaan. Bijvoorbeeld sociale vaardigheden of het plannen van schoolwerk. Het advies is bij deze therapieën om parallel een goede ouderbegeleiding te volgen, zodat je je kind kunt ondersteunen bij het aanleren van nieuwe vaardigheden.
    2. sociale vaardigheidstraining. Dit heeft een beperkt effect bij kinderen met ADHD. Als je toch aan de slag wil met sociale vaardigheden, kun je dat het beste in de natuurlijke omgeving doen (thuis of op school). De ouders moeten intensief betrokken zijn. Kinderen met ADHD leren meestal weinig door ergens eens in de week een uur naartoe te gaan.
    3. Planning- en organisatievaardigheden. Dit is vooral onderzocht voor tieners met ADHD vanaf 12 jaar. Het onderzoek staat nog in de kinderschoenen, maar de eerste resultaten zijn positief. Als problemen met plannen en organiseren op de voorgrond staan in het ADHD-beeld, kan een jongere daar een training in volgen. Het is ook hier belangrijk dat er een gemotiveerde ouder betrokken is.
    4. (Neuro)cognitieve interventies. Bijvoorbeeld neurofeedback en cognitieve trainingen zoals Cogmed of Braingame Brian, om het werkgeheugen te vergroten. De effectiviteit van neurofeedback is nog onduidelijk omdat studies geen eenduidig beeld laten zien. De therapie wordt daarom niet vergoed. Kinderen die wel resultaten behalen, hebben meestal veel sessies nodig (tussen de 25 en de 50). Cognitieve trainingen richten zich bijvoorbeeld op het vergroten van het werkgeheugen en het leren niet op alle impulsen te reageren. Kinderen en jongeren gaan vaak wel wat vooruit op deze gebieden, maar de vooruitgang is niet goed zichtbaar in hun dagelijks leven. Het is daarom niet opgenomen in het standaardaanbod in de jeugdhulp.
    5. Mindfulnesstraining. Er is wat bewijs dat mindfulnesstraining kan helpen bij ADHD-symptomen, maar er is nog te weinig onderzoek om goede uitspraken te kunnen doen.
    6. Psychomotorische therapie, speltherapie, beweeginterventies. Hier is geen systematisch effectonderzoek naar gedaan. Soms wordt het ingezet bij kinderen waar cognitieve gedragstherapie minder goed bij past. Bijvoorbeeld omdat ze het niet leuk vinden, omdat ze te jong zijn of omdat ze een verstandelijke beperking hebben. Als ik uit eigen ervaring spreek vanuit de instellingen waar ik heb gewerkt, zie ik dat een deel van de kinderen er baat bij heeft. Een voordeel is dat het heel ervaringsgericht is (veel doen en voelen) en dat de meeste kinderen het leuk vinden.
  4. Voedingspatroon. Hier schreef ik een apart artikel over. De bottom line: er zijn aanwijzingen dat het werkt. Het voedingspatroon dat in deze onderzoeken geadviseerd wordt, is sowieso goed voor de gezondheid van jou en je kind. Dus in die zin is het win-win.
  5. Medicatie. Meestal wordt er een vorm van methylfenidaat gebruikt, zoals Ritalin of Concerta. Medicatie heeft een groot effect op kernsymptomen zoals hyperactiviteit, impulsiviteit een aandachtsproblemen. Er zitten natuurlijk ook nadelen aan medicijngebruik, die ik apart zal bespreken. Om die reden wordt bij milde tot matige ADHD aangeraden eerst te kiezen voor een van de interventies hierboven. Misschien merk je daar al voldoende effect van. Bij ernstige ADHD is het andersom: eerst medicatie, daarna inzetten op gedrag en omgeving. Dat komt doordat deze kinderen vaak zoveel last hebben van hun ADHD, dat ze niet genoeg oppikken van een therapie.

Wat betreft de kindtherapieën zou ik zeggen: aangezien er geen therapie is die werkt voor alle kinderen, moet je goed kijken naar hoe jouw kind in elkaar zit. En welke benadering bij jullie als ouders past. Je kind heeft je namelijk heel hard nodig in de therapie, want hij leert allemaal nieuwe dingen. Voor kinderen is het moeilijk om dat wat ze leren in een therapie, toe te passen in het dagelijks leven. Doe je zelf al aan meditatie, begrijp je de oefeningen goed en is het voor jou geen probleem om elke dag rustig met je kind te gaan zitten? Dan zou een mindfulnesstraining misschien een goede optie voor jullie zijn. Ben je gestructureerd, word je blij van planningen en to do lijstjes en vind je het leuk om daarin nieuwe strategieën te leren? Dan ligt zo’n training jullie wellicht beter. Alle therapieën worden effectiever naarmate je er zelf actiever mee aan de slag gaat.

Voor volwassenen geldt hetzelfde. Kijk wat bij je past en doe je voordeel met wat je kunt leren uit de verschillende benaderingswijzen. Betrek zo mogelijk je omgeving: een partner, je ouders, een goede vriend of vriendin, een broer of zus… Als er niemand is, is een groepstraining of een maatje misschien iets voor je. Leren leven met ADHD is niet eenvoudig. Kijk ook goed naar hoe je je leven inricht. Een baan waarmee je lekker veel buiten bent, ligt mensen met ADHD bijvoorbeeld vaak beter dan een kantoorbaan. Sommige ADHD’ers vinden het fijn als hun planning voor ze wordt gemaakt en als hun taken overzichtelijk zijn. Binnen dat kader hebben ze minder last van hun ADHD. Hoe beter je jezelf kent, hoe gemakkelijker je als volwassene keuzes kunt maken die bij je passen.


© Psychologie Vandaag, kenniscentrum en online therapie 2018. Alle rechten voorbehouden.