Laden. Even geduld aub.

Telefoon0683775936EMAIL: linda [@] psychologievandaag.nlOPENINGSTIJDEN:Maandag-vrijdag 09:00-17:00
warren-wong-242286-unsplash-1024x701.jpg
10/mei/2018

Veel mensen die rondlopen met psychische klachten, vragen zich weleens af of het zin heeft om naar een psycholoog te gaan. Over het algemeen kun je zeggen dat ongeveer 50 tot 60 procent van de cliënten beter wordt na behandeling. Dit is een statistiek, die uiteraard weinig zegt over jouw persoonlijke situatie. Dit artikel geeft tips waarmee je de kans kunt vergroten dat je in deze groep valt en dat het voor jou zinvol is om een psycholoog te bezoeken.

Effectiviteit van behandeling

De afgelopen eeuw is er verschrikkelijk veel onderzoek gedaan naar de effectiviteit van behandeling bij psychische klachten. Al dat onderzoek hier bespreken, gaat veel te ver. Het gaat dan om een te groot aantal uiteenlopende klachten, stoornissen, en behandelvormen. Zoek je een bepaald type behandeling voor een bepaalde klacht of stoornis, dan kan het trouwens best zinvol zijn om je eens te verdiepen in het onderzoek dat specifiek daarnaar gedaan is. Maar gelukkig kunnen we op basis van alle resultaten bij elkaar wel wat algemene uitspraken doen. De belangrijkste daarvan is: het percentage cliënten dat beter wordt na behandeling is ongeveer 50 tot 60 %. Tegelijkertijd worden ook veel mensen zonder behandeling beter: ongeveer 30 tot 40 % (getallen ontleend aan  Delespaul e.a., 2016). Let op: dit is een statistische conclusie over groepen mensen die worden vergeleken. Het zegt niet per se iets over jouw situatie. Wel zegt het er iets over dat mensen kennelijk veel kunnen bereiken op eigen kracht. Een goede behandeling voegt daar iets aan toe.

Hoe kun je zelf zorgen dat je behandeling zin heeft?

Er zijn veel dingen die je zelf kunt doen om de kans te vergroten dat je tot die 50 á 60 procent gaat behoren bij wie de behandeling werkt. Onderstaande adviezen komen o.a. uit het werk van Tonkens (2008), Frank & Frank (1992), Lambert en Ogles (2004), Norcross (2011) en Patterson, Uhlin en Anderson (2008).

1. Kies de juiste psycholoog

 Je kunt je huisarts natuurlijk om advies vragen, maar die heeft niet altijd de tijd en kennis om echt een goed antwoord te geven. Het kost even tijd om het zelf uit te zoeken, maar je kunt die tijd beter nu besteden dan dat je straks veel tijd en energie steekt in een behandeling waar je misschien weinig aan hebt. Waar kun je op letten?

  1. Zoek via beroepsverenigingen. Het Nederlands Instituut voor Psychologen (NIP) heeft bijvoorbeeld een zoekfunctie en de Landelijke Vereniging van Vrijgevestigde Psychologen Psychoterapeuten ook.
  2. Let op registraties. Psychologen met een BIG-registratie (bijvoorbeeld als GZ-psycholoog, klinisch psycholoog of psychotherapeut) zijn beter opgeleid dan psychologen zonder registratie.
  3. Zijn er mensen in je omgeving die therapie hebben gehad of die in de hulpverlening werken? Als je dat durft, kun je hen om advies vragen.
  4. Ga eens op wat websites van praktijken neuzen. Kies er een stuk of vijf uit om mee te beginnen. Ga na wat je gevoel erbij is, of de werkwijze bij je past en of de psycholoog gespecialiseerd is in jouw klachten.
  5. Zoek uit wat de wachttijd is. Zorgaanbieders moeten die vermelden op hun website.

Natuurlijk kun je je ook aanmelden bij een grote GGZ-instelling in je regio. Die hebben meestal een breder zorgaanbod en meer expertise, maar een nadeel is dat je van tevoren minder goed weet wie je tegenover je krijgt.

Merk je tijdens de gesprekken dat de klik er niet zo is? Hier lees je wat je daaraan kunt doen.

2. Zorg dat je verwachtingen kloppen

Dit zijn dingen die een psycholoog niet kan:

  • Meteen weten wat er aan de hand is, zonder jou te kennen
  • Een oplossing uit de lucht toveren
  • Jouw gedachten lezen
  • Het probleem voor je oplossen zonder dat je daarvoor zelf iets hoeft te doen
  • Iemand anders voor je veranderen, bijvoorbeeld je partner
  • Een pil voorschrijven waardoor alle problemen weg zijn

Dit zijn dingen die de meeste psychologen wel doen:

  • veel vragen stellen en vaak ook vragenlijsten voorleggen
  • samen met jou proberen uit te vinden wat er aan de hand is
  • je helpen jezelf beter te begrijpen
  • samen met jou een behandelplan opstellen
  • de behandeling doorlopen en steeds tussentijds evalueren hoe het gaat
  • bij afronding een plan maken over wat je kunt doen om terugval te voorkomen

En dit zijn dingen die de ene psycholoog wel doet en de andere niet, afhankelijk van welke therapeutische stroming hij aanhangt:

  • veel over het verleden praten
  • adviezen en tips geven
  • huiswerkopdrachten meegeven
  • een deel van de behandeling online laten plaatsvinden
  • enzovoort

Bij de meeste psychologen lig je niet op een bank om te praten. Dit gebeurt alleen nog bij psychoanalyse.

3. Stel goede behandeldoelen

Hier helpt je psycholoog je ook mee. Hoe duidelijker en haalbaarder het behandeldoel, hoe groter de kans is dat je therapie zin heeft. Zorg er ook voor dat de therapie past bij je probleem en je doel. Dat lijkt een open deur, maar het zou je verbazen hoe vaak dit misgaat. Hier lees je meer over behandeldoelen.

4. Respecteer elkaars expertise

Jij bent de expert over jezelf, niet de psycholoog. Jij kent jezelf immers al je hele leven en jij bent de enige die weet hoe het voelt om met jouw klachten te leven.
De psycholoog is de expert die op basis van zijn opleiding, kennis en ervaring een oordeel kan geven over je klachten en de bijbehorende therapieën.
Luister naar elkaar en gebruik wat je hoort. Let ook hier op je verwachtingen van de ander.

5. Zorg voor steun uit je omgeving

Therapie werkt beter als een paar mensen in je omgeving weten dat je gesprekken hebt en je daarbij steunen. Misschien vind je het ook fijn om tijdens één of meerdere gesprekken iemand mee te nemen. En als je de therapie moeilijk vindt, is het prettig om iemand te hebben met wie je dat kunt bespreken.

6. Zorg dat je de therapie begrijpt

Het is noodzakelijk dat je de rationale achter de therapie snapt. Vergelijk het met een behandeling in het ziekenhuis: daar wil je immers ook weten waarom een bepaalde operatie of medicatie jou kunnen helpen. Bij psychologische behandeling is dit nog belangrijker.

7. Ga na of je voldoende gemotiveerd bent

Therapie is hard werken. Er zal van je worden gevraagd dat je op een andere manier naar jezelf kijkt en meestal ook dat je experimenteert met ander gedrag. Soms worden je klachten zelfs eerst erger voordat ze kunnen afnemen. Daar komt enorm veel kwetsbaarheid en doorzettingsvermogen bij kijken. Heb je dat niet, bijvoorbeeld omdat je verwacht dat er vanzelf veranderingen zullen optreden als je maar op de afspraken verschijnt, dan lukt het ook niet. Natuurlijk kan het wel een doel zijn van de intake om samen te verkennen waar jouw motivatie precies ligt en wat je belemmert. Ook op latere momenten, als je merkt dat je motivatie inzakt, is het goed om dit te bespreken.

8. Neem zelf verantwoordelijkheid

Het is jouw leven en jouw therapie. Zorg dat je zelf verantwoordelijkheid voelt en neemt voor het werk dat wordt verzet. Zoals ik aan het begin al zei: mensen hebben veel meer eigen kracht dan we vaak denken.

Verder lezen:

Eerder schreef ik al een artikel over wat je kunt doen als je al in behandeling bent, maar merkt dat het niet zo goed werkt.

Denk je dat therapie niet goed bij je past? Kijk dan eens of je iets hebt aan deze tips over hoe je zelf je problemen aanpakt.

Bronnen:

Delespaul, P., Milo, M., Schalken, F., Boevink, W. & Os, J. van (2016). Goede GGZ! Nieuwe concepten, aangepaste taal en betere organisatie. Diagnosis Uitgevers, Leusden
Frank, J. D., en Frank, Julia (1991). Persuasion and healing: a comparative study of psychotherapy (3rd ed.). Johns Hopkins University Press, Baltimore.
Lambert, M. J., & Ogles, B. M. (2004). The efficacy and effectiveness of psychotherapy. In M. J. Lambert (Ed.), Handbook of psychotherapy and behavior change (5th ed.). New York: John Wiley & Sons.
Norcross, J. C. (Ed.). (2011). Psychotherapy relationships that work (2nd ed.). New York: Oxford University Press.
Patterson, C. L., Uhlin, B., & Anderson, T. (2008). Clients’ pretreatment counseling expectation as predictors of the working alliance. Journal of Counseling Psychology, 55, 528–34.
Tonkens, E. (2008). Mondige burgers, getemde professionals. Van Gennep, Amsterdam.


plan-1024x669.jpg
26/mrt/2018

Aan het begin van een therapie maakt een cliënt samen met zijn psycholoog een behandelplan. De ene psycholoog zal zo’n plan net wat anders opstellen dan de andere. Dit artikel legt uit wat er in ieder geval in hoort te staan en wat aandachtspunten zijn om verduidelijking over te vragen, mocht dat nodig zijn

Wat?

De onderdelen van een behandelplan staan opgesomd in de Algemene leveringsvoorwaarden geestelijke gezondheidszorg (2017). Die zijn opgesteld door GGZ Nederland (een branche-organisatie die 90% van de zorg en het personeel in de ggz vertegenwoordigt), de Sociaal Economische Raad, de Consumentenbond en cliëntenfederatie MIND (voorheen LPGGZ). Dat betekent dat ze richtinggevend zijn voor het grootste deel van de zorgaanbieders. Ook de overige 10% zal overigens grotendeels via deze richtlijn werken.

Het behandelplan kan ook wel zorgplan of begeleidingsplan heten en bevat:

  • Algemene gegevens waaruit af te leiden is over welke cliënt het gaat, dus in ieder geval de naam, geboortedatum en cliëntnummer of BSN;
  • Het (klacht)beeld, meestal de beschrijvende diagnose en de DSM-classificatie;
  • De beperkingen, mogelijkheden, wensen en doelen van de cliënt. Er is geen regel voor hoe een doel geformuleerd moet worden, omdat de soort problematiek en de behandelsetting daar een te grote rol in spelen. Een doel kan op twee manieren geformuleerd zijn:
    • positief, dus wat je erbij wilt. Bijvoorbeeld: “Anton leert beter voor zichzelf op te komen” of “Laura krijgt een betere relatie met haar moeder.”
    • negatief, dus waar je vanaf wilt. Bijvoorbeeld: “Samira heeft minder paniekaanvallen” of “afname van de traumaklachten”.

Met name die laatste categorie wordt nog wel eens veel te breed geformuleerd. Het klinkt mooi, maar wat betekent dat nou eigenlijk, “afname van de traumaklachten”? Waar gaan jullie als eerste aan werken, wat zou er precies moeten afnemen en waar zou je dat aan merken? Mogen er restklachten blijven bestaan en zo ja, op welk punt sluit je de therapie dan af? Ga hier gerust over in gesprek met je psycholoog. Hij zal er geen pasklaar antwoord op hebben, maar door elkaar vragen te stellen kun je er toch overeenstemming over bereiken.

  • Het actieplan, meestal de behandelmethode. Ook dit kun je heel verschillend formuleren. Zorg ervoor dat je goed begrijpt wat er staat. Methodes zoals “structurerende contacten”, “inzichtgevende gesprekken” of “eclectische benadering” zijn niet per se slecht maar hebben het risico dat ze te vaag zijn – en dat je behandeling daardoor gaat “zweven”. Ga erover in gesprek wat je psycholoog hier precies mee bedoelt. Vraag ook verduidelijking als er juist een heel specifieke therapievorm staat zoals “cognitieve gedragstherapie”: wat houdt dat in wat kun je ervan verwachten? Het actieplan geeft ook weer wanneer er geëvalueerd gaat worden.
  • Evaluaties, oftewel een samenvatting van hoe het tot nu toe gaat en hoe jullie verdergaan. Het is afhankelijk van de soort problematiek, behandelmethode en setting hoe vaak je evalueert. Eens per half jaar kun je zien als minimum; eens per drie maanden is gebruikelijker.
  • Eindrapportage: een samenvatting van het geheel met adviezen voor de toekomst en een plan voor vervolgzorg en/of terugvalpreventie.

Een behandelplan is bondig, niet je hele levensverhaal hoeft erin. Zeker in de eerste lijn (generalistische basis GGZ) en de tweede lijn (gespecialiseerde GGZ) bestaat een behandelplan meestal uit één of twee pagina’s.

Wie?

De psycholoog stelt het behandelplan op. In principe is dit altijd een BIG-geregistreerde GZ-psycholoog, psychotherapeut, klinisch psycholoog of psychiater (in de gespecialiseerde GGZ soms aangeduid als regiebehandelaar of hoofdbehandelaar). Je kunt in de GGZ niet je eigen behandelplan maken. Wel is het de bedoeling dat het een document is waar jullie allebei achter staan. Begrijp je bepaalde zaken niet, ontbreken er dingen die voor jou belangrijk zijn of ben je het niet eens met de doelen? Bespreek het!

Sommige psychologen vragen hun cliënten het behandelplan te ondertekenen als ze het ermee eens zijn. Dat is wel zo transparant, maar niet wettelijk verplicht. In principe volstaat een mondeling akkoord ook. Het is daarbij wel extra belangrijk dat de manier waarop het is opgeschreven, voor jou past bij wat er in de gesprekken is besproken. Je krijgt zelf ook een door de (regie)behandelaar ondertekende kopie.

Als je toestemming hebt gegeven voor rapportage aan de huisarts (of een andere verwijzer), ontvangt deze meestal ook het behandelplan, de bijstellingen daarvan en het eindverslag.

Wanneer?

Het moment waarop het eerste behandelplan wordt opgesteld, hangt wederom af van de setting. Soms is dit meteen na de intake, maar bij complexe problematiek waarbij eerst uitgebreide diagnostiek wordt gedaan, wordt het soms pas na de diagnostische fase opgesteld. Je ontvangt meestal een bijgesteld behandelplan na iedere evaluatie, of op momenten dat er belangrijke wijzigingen in plaatsvinden. Een belangrijke wijziging is bijvoorbeeld een nieuw behandeldoel of een andere behandelmethode. Als er niets wijzigt en alles goed loopt, kan een psycholoog ervoor kiezen het behandelplan ook na een evaluatie hetzelfde te laten. Het bijstellen van behandelplannen kost veel tijd en het is eigenlijk voor iedereen beter als de psycholoog die tijd kan besteden aan gesprekken, dan aan administratie die niets toevoegt aan het behandelproces.

Waarom?

Het behandelplan bestaat zodat psycholoog en cliënt allebei goed weten waar ze aan werken. Het bestaat dus voor de transparantie en om de kwaliteit van de behandeling te bewaken. Het op deze manier opstellen van een behandelplan is een gevolg van de Wet op de Geneeskundige Behandelingsovereenkomst (WGBO). Maar let op: je kunt de twee termen niet door elkaar gebruiken. De wettelijk geregelde behandelingsovereenkomst is veel breder dan alleen het behandelplan. In hun toelichting op hoe de twee zich tot elkaar verhouden, geeft GGZ Nederland de volgende afbeelding:

Daarin zie je duidelijk dat het behandelplan werkt als een soort “vertaalslag” van de algemene regels, naar de problematiek en hulpvraag van de individuele cliënt.


stamp.jpg
15/dec/2017

Als je bij een psycholoog of psychiater komt, krijg je er al snel mee te maken: de DSM-classificatie, oftewel “het stempeltje”. Dit artikel legt uit wat de DSM is, wat de voor- en nadelen ervan zijn, wat het verschil is tussen een classificatie en een diagnose en een waar je verder nog op kunt letten.

Wat is de DSM?

DSM is een afkorting van Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders. Het bevat een overzicht van alle psychische en psychiatrische stoornissen. De eerste DSM werd in 1952 uitgegeven en inmiddels werken we sinds 2014 met de DSM-5. Dat komt doordat de wetenschappelijke kennis over de psychologie en psychiatrie in die tijd is veranderd en daardoor waren aanpassingen nodig. Dat blijft ook in de toekomst zo. Er zal dus nooit een DSM zijn met een soort “eindstand”. Daarbij speelt ook mee dat de manier waarop we als samenleving tegen gedrag aankijken (het waarde-oordeel) verandert. Homoseksualiteit stond vroeger bijvoorbeeld in de DSM als stoornis. Dat is gelukkig nu niet meer voor te stellen. (Nieweg, 2013)

Voor- en nadelen van de DSM

De DSM kwam ooit tot stand om spraakverwarring te voorkomen. Vroeger kon het gebeuren dat een psycholoog in Utrecht iets heel anders verstond onder een depressie of onder een borderlinestoornis dan een collega in Groningen. En dan was er nog de communicatie tussen psychologen van verschillende landen of werelddelen. Met name de DSM-III (uit 1980) was daarom zo beschrijvend en a-theoretisch mogelijk. Dat betekent dat er alleen in stond welke criteria bij een stoornis horen, zonder dat er iets wordt gezegd over de oorzaak of de verwachting voor de toekomst. In de psychiatrie bestaat ook voor geen enkele diagnose een duidelijke enkelvoudige oorzaak, een biologische aanwijzing (marker) en een tijdspad. Ook zijn de classificaties niet gekoppeld aan gestandaardiseerde tests. Dat is niet veranderd in de DSM-5 (Van Heugten – van der Kloet en Van Heugten, 2015).

Een ander doel van de DSM was dat wetenschappelijk onderzoek daar beter van zou worden. Dat doel is niet behaald. Dat komt doordat het categoriale systeem van de DSM (‘je hebt iets wel of je hebt iets niet’) wetenschappelijk lastig is. In de medische wereld is dat anders. Je kunt bijvoorbeeld prima zeggen of iemand wel wel of niet zijn arm heeft gebroken. Maar als het gaat om de vraag of iemand een depressie heeft, wordt het al een veel grijzer gebied. In de DSM moet een cliënt, om de classificatie depressie te hebben, voldoen aan minimaal vijf van de negen criteria. Als je alle mogelijke combinaties zou uitproberen, kom je op 256 verschillende uit. Dat betekent dat er 256 verschillende manieren mogelijk zijn waarop iemand (volgens de DSM) depressief kan zijn. Baseer daar maar eens een wetenschappelijk onderzoek op. Of een behandeling. Die moet maatwerk zijn, gericht op de combinatie van symptomen van deze cliënt.

Psychiater Jim van Os, een van de Nederlanders in de Amerikaanse vakgroep die de DSM ontwikkelde, benadrukt dat er nog geen wetenschappelijke basis is voor de classificaties in de DSM-5. Dat is onlangs nog eens aangetoond; de DSM is gebaseerd op consensus, of het samen eens zijn. Hij pleit ervoor de DSM meer te zien als een soort afsprakenboek: ‘laten we dit zo en zo noemen’. En hij wijst op het gevaar dat de DSM ‘gekaapt’ wordt door financiers (bijvoorbeeld de overheid en verzekeraars), terwijl in het boek zelf staat dat het daar niet voor bedoeld is. Veel behandelaren herkennen dat ze snel een DSM-classificatie “moeten” geven omdat de zorg anders niet vergoed wordt, terwijl ze er eigenlijk vaak nog niet meteen uit zijn wat er precies aan de hand is (bijvoorbeeld Amelsvoort et. al, 2014). En dat terwijl de DSM-classificatie maar heel weinig zegt over de persoon en de behandeling die hij nodig heeft.

Verschil tussen classificatie en diagnose

In de psychologie en psychiatrie is er een verschil tussen een classificatie en een diagnose.

Een diagnose is beschrijvend: een kort verhaaltje over de persoon. Daarin komen, kort gezegd, meestal de volgende onderdelen terug:

  • Risicofactoren (kwetsbaarheden) en beschermende factoren vanuit biologie, sociale ervaringen en psychologie;
  • De beïnvloeding daartussen;
  • Hoe er in dit samenspel problemen, aandoeningen of stoornissen ontstaan.

Een psycholoog of psychiater stelt dit verhaaltje op aan de hand van wat jij vertelt en misschien de uitkomsten van diagnostiek, zoals een testonderzoek of vragenlijsten. Al deze gegevens ordent hij op de manier die hij in zijn opleiding en werkervaring geleerd heeft. Dat noem je de klinische blik en die is oneindig veel waardevoller dan een lijstje met criteria.

De classificatie is vervolgens hoe je de ontstane aandoening of stoornis zou indelen in de DSM.

De DSM zegt daar zelf over: ʺOm een psychische stoornis te kunnen diagnosticeren is het dan ook niet voldoende om alleen te controleren of de symptomen uit de classificatiecriteria aanwezig zijn. Een systematische controle of de criteria op de betreffende patiënt van toepassing zijn maakt de beoordeling zeker betrouwbaarder, maar de clinicus zal toch zelf moeten beoordelen wat per afzonderlijk criterium de ernst en de waarde is en wat dat betekent voor de betreffende diagnose.ʺ (APA, 2013). Het handboek waarschuwt er ook voor dat alleen mensen die daarvoor klinisch zijn opgeleid, de diagnoses mogen stellen.

De DSM-5 biedt gelukkig wel veel meer mogelijkheden om de classificatie en de beschrijvende diagnose op elkaar af te stemmen en laat meer ruimte voor individuele verschillen. Dat is een groot voordeel ten opzichte van de vorige versie (Amelsvoort et. al, 2014).

Waar kun je als cliënt op letten?

Ben je in zorg en krijg je met een DSM-classificatie te maken, dan staat dat meestal in een behandelplan. Dit plan bevat altijd de beschrijvende diagnose (hoe jouw klachten eruitzien en hoe dat zo gekomen is) en de DSM-classificatie. Vraag dan na wat deze betekent. Welke criteria zijn er gebruikt, welke afweging is gemaakt en wat wil dat zeggen voor je behandeling? Maar staar je er niet blind op. Richt je vooral op de beschrijvende diagnose: begrijp je het verhaal en herken je jezelf erin? Zo niet, ga erover in gesprek. Vraag uitleg. Zijn er naar jouw mening belangrijke onderdelen die ontbreken, geef dat dan aan. Vraag ook wat de aanknopingspunten zijn voor je behandeling: waar beginnen jullie en waarom?

Een goede diagnose is geen eenrichtingsverkeer, maar een gesprek. Het is niet iets wat de expert over jou opschrijft en wat dan vervolgens De Waarheid is. Als het goed is, is het een verhaal waar jullie het samen over eens zijn: de psycholoog vanuit zijn professionele blik, en jij vanuit je zelfkennis. Matchen die twee echt niet met elkaar en denk je dat je de verkeerde diagnose of classificatie hebt gekregen? Dan kun je altijd om een second opinion vragen bij een andere behandelaar.

Wil je meer weten over de DSM, kijk dan eens op deze Nederlandse website.

Bronnen:

Amelsvoort, T.A.M.J. van; Eede, F. Van den, Goethals, K., Marle, H.J.C. van, Beekman, A.-J. (2014). DSM-5; ook eens een positief geluid. Tijdschrift voor Psychiatrie, jaargang 56, maart 2014.

American Psychiatric Association (2013). Beknopt overzicht van de criteria (DSM-5). Nederlandse vertaling van de Desk Reference to the Diagnostic Criteria from DSM-5. Amsterdam: Boom.

Nieweg, I. (2013). DSM: een zoektocht naar fantomen. Medisch contact, mei 2013.

Van Heugten – van der Kloet, D. en Van Heugten, T (2015). The classification of psychiatric disorders according to DSM-5 deserves an internationally standardized psychological test battery on symptom level. Front. Psychol. 6:1108. doi: 10.3389/fpsyg.2015.01108


© Psychologie Vandaag, kenniscentrum en online therapie 2018. Alle rechten voorbehouden.