Laden. Even geduld aub.

Telefoon0683775936EMAIL: linda [@] psychologievandaag.nlOPENINGSTIJDEN:Maandag-vrijdag 09:00-17:00
zingeving-1024x683.jpg
22/jun/2019

Toen ik jaren geleden mijn masterdiploma psychologie in ontvangst nam, hield mijn afstudeerbegeleider een speech. Ik weet het nog heel goed, want het was een belangrijk moment en overigens ook een fijne toespraak. In zijn praatje had hij het onder andere over mijn afstudeeronderzoek, dat over zingeving ging. Hij had de scriptie een 9 gegeven maar liet niet na met een knipoog te vermelden dat het “toch een beetje een vaag jaren zeventig onderwerp” was. Inmiddels werk ik alweer heel wat jaren in de GGZ en ik merk vaak dezelfde ongemakkelijkheid bij collega’s als het over de onderwerpen zingeving en spiritualiteit gaat. Waarom eigenlijk? En wat betekent dat voor de zorg die we leveren?

De plek van zingeving en spiritualiteit in de GGZ

Het beste boek dat ik over dit onderwerp heb gelezen, is de klassieker The Road Less Traveled van de Amerikaanse psychiater M. Scott Peck. Hij zegt daarin: ‘Ik maak geen onderscheid tussen de geest (mind) en de ziel (spirit), en daardoor ook geen onderscheid tussen het proces om tot spirituele dan wel mentale groei te komen. Ze zijn één en hetzelfde.’ Hij ziet depressie als een symptoom van stagnatie in persoonlijke groei, omdat iemand ervaart dat de “plattegrond” die hij van de wereld had, dus zijn begrip van die wereld, niet meer voldoet. Bijvoorbeeld omdat je merkt dat je toch niet gelukkig bent in de baan waar je zo hard voor hebt gewerkt, dat pijn bij het leven hoort of dat mensen anders in elkaar zitten dan je dacht. Je moet je kijk op de realiteit dan bijstellen om verder te komen en dat vraagt discipline, liefde en aandacht. Het proces is niet gemakkelijk en brengt ook risico’s met zich mee van verlies, onafhankelijkheid, toewijding, binding en confrontatie. Er zijn immers geen snelle, eenvoudige antwoorden voor en er bestaat geen “modelplattegrond” die kunt overnemen en die voor iedereen werkt. In het proces komen onvermijdelijk zingevingsvragen aan de orde en er zal een levensbeschouwing in naar voren komen. Bij de een komt daar een god bij kijken en bij de ander niet, maar iedereen heeft een levensbeschouwing. In zijn boek zet Peck schitterend uiteen wat hij met al deze begrippen bedoelt en laat hij heel duidelijk zien waarom je werkelijk herstel niet kunt beperken tot een afname van klachten, maar dat het gaat om de groei van de persoon. Heel logisch eigenlijk.

Het verband tussen zingeving en welbevinden

De uitkomsten van mijn afstudeeronderzoek destijds liggen overigens in dezelfde lijn. Ik onderzocht 800 jongeren en vroeg hen wat hun leven zin gaf, dus wat hetgeen was waarvoor ze ’s ochtends uit bed kwamen. Een deel van de jongeren gaf vooral alledaagse antwoorden, bijvoorbeeld leuke dingen doen of naar school gaan. Een andere groep ging meer de diepte in en had het over iets doen voor een ander of naar een levensdoel toe werken. Bij allebei de groepen was het zo dat ze hun doelen bereikten, het beter met hen ging: hun welbevinden was hoger. Maar bij de tweede groep was het verband een stuk krachtiger. Dus als de jongeren nadachten over hoe ze zich tot zichzelf en anderen verhielden en wat ze daarmee wilden bereiken, en het lukte ze om daarnaar te leven, gaf dat hun welbevinden een enorme boost. Veel meer dan in de groep die zich tot alledaagse doelen beperkte. Daarmee heeft het zin om het hier in een therapie over te hebben.

Waarom hebben we het er dan zo weinig over?

Zo opgevat is het vreemd om zingeving en spiritualiteit los te zien van geestelijke gezondheidszorg. Waar zit dan het ongemak? Waarschijnlijk in het feit dat psychologie een wetenschap is, en in de wetenschap ligt de nadruk op meten. Meten is iets ervaren in een bepaalde dimensie: een dimensie waarin je nauwkeurige observaties kunt doen die anderen op dezelfde manier kunnen herhalen. Als we iemand een lijst met psychische klachten geven en vragen om aan te geven tot in hoeverre ze daar last van hebben, zijn we aan het meten. Je kunt die lijst ook aan een grote groep mensen geven en dan weet je hoe mensen er “gemiddeld” op antwoorden, dus hoeveel problemen ze doorgaans ervaren en wanneer iemand daarvan afwijkt. Tot slot kun je mensen uitnodigen om een behandeling te volgen en meten of het na afloop beter met ze gaat.

Door dingen te meten kun je veel vooruitgang boeken, maar je kunt je er ook op blindstaren. Het is niet zo dat dingen die moeilijk te bestuderen zijn, omdat ze niet zo direct meetbaar zijn, niet de moeite van het bestuderen waard zijn. Of dat wat je moeilijk kunt begrijpen niet bestaat. In die zin is het gek dat de wetenschap in het algemeen, maar zeker een menswetenschap als psychologie, deze onderwerpen mijdt en in de jaren zeventig hoek parkeert. Is een doel van wetenschap niet juist zoveel mogelijk kennis te verzamelen?

Scott Peck is overigens optimistisch en denkt dat er wel degelijk een ontmoeting mogelijk is tussen wetenschap en spiritualiteit. Doordat onderzoeksinstrumenten steeds beter ontwikkeld zijn, kun je ook moeilijkere onderwerpen beter bestuderen. Wetenschap brengt daarbij een gezonde scepsis ter tafel, waarmee je je levensbeschouwing en spiritualiteit meer kunt finetunen en toetsen aan de realiteit. Hij waarschuwt wel voor knip & plak werk: ‘Velen proberen simpele antwoorden te vinden op moeilijke vragen, door populaire wetenschappelijk en religieuze concepten bijeen te brengen met goede bedoelingen maar weinig denkwerk.’ Dan krijg je van die gehypete zelfverwezenlijkingshandboeken vol vaag taalgebruik. En die geven zingeving en spiritualiteit in wetenschappelijke kring nou juist een slechte naam.

En verder?

Ik zou pleiten voor een meer ontspannen omgang met deze onderwerpen binnen de psychologie, want ik denk dat niet alleen cliënten daar iets aan hebben, maar ook de behandelaren zelf. Dat begint met meer onderzoek en eindigt met een andere houding in de behandeling. Zulke enge vragen zijn het nou ook weer niet. “Waarvoor kom je je bed uit?” is een uitstekend begin gebleken.


zomerdepressie2-1024x802.jpg
04/aug/2018

Afgelopen winter schreef ik over de winterdip, in zijn meest ernstige vorm ook wel bekend als “seizoensgebonden depressie”. Een tiende van de mensen met zo’n seizoensgebonden depressie, heeft hem echter niet in de winter maar juist in de zomer. Hoe komt dat, hoe herken je het en wat kun je eraan doen?

Oorzaken van de zomerdepressie

Te weinig zonlicht is een van de belangrijkste oorzaken van een winterdepressie. Voor een zomerdepressie geldt waarschijnlijk het omgekeerde: te veel zonlicht, waardoor de aanmaak van melatonine (het “slaaphormoon”) en serotonine (het “geluksstofje”) overhoop worden gegooid. Een andere theorie is dat mensen in de zomer te laat opblijven, waardoor hun dag- en nachtritme van slag raakt en ze uit balans raken. Het is immers vervelend als je actief moet zijn terwijl je je slaperig voelt, of probeert te slapen terwijl je helemaal niet moe bent. In Amerika lijkt het er dan ook op dat een zomerdepressie vaker voorkomt in gebieden met warmere zomers, zoals het zuiden.

Wetenschappelijk onderzoek naar de zomerdepressie is beperkt. De Amerikaanse site The Mighty, een online gemeenschap voor mensen met psychische of lichamelijke klachten, vroeg haar gebruikers waarom de zomer soms extra moeilijk voor hen is. De originele lijst met bijbehorende citaten vind je hier; hieronder staat een samenvatting.

  1. De verwachting dat de zomer leuk moet zijn en de druk van het sociaal zijn en “leuke dingen moeten doen”.
  2. Minder begrip vanuit de omgeving. Winterdepressie snapt iedereen nog wel, maar hoe kun je je nou slecht voelen in de zomer?
  3. De hitte, het zweten, plakkerigheid, soms daardoor ook hoofdpijn.
  4. Minder ritme en routine, bijvoorbeeld omdat je opleiding in de zomer onderbroken is of omdat je eigen kinderen thuis zijn van school. Structuur is vaak belangrijk voor mensen die gevoelig zijn voor psychische klachten.
  5. Voor mensen die problemen hebben met eten, gewicht en lichaamsbeeld kan het moeilijker zijn om naar buiten te gaan in korte kleding. Ook kan zomerkleding littekens zichtbaarder maken (bijvoorbeeld van automutilatie) of een handicap onthullen.
  6. Minder verbinding met naasten, bijvoorbeeld omdat ze op vakantie zijn of de hele dag op pad zijn.
  7. Schuldgevoelens, bijvoorbeeld omdat gezinsleden wel naar buiten willen of omdat je niet aan het genieten bent van het mooie weer.
  8. Moeite om te eten door de warmte, weinig eetlust, en daardoor vervolgens weer minder energie.

Symptomen

De symptomen van een zomerdepressie zijn hetzelfde als voor andere soorten depressie: een sombere stemming, verminderde interesse of plezier in activiteiten, gewichtsafname of –toename, slaapproblemen, onrust (agitatie) of juist sloomheid, vermoeidheid, gevoelens van waardeloosheid of schuld, verminderde concentratie, besluiteloosheid en gedachten aan de dood. Volgens de DSM is er sprake van een depressie als vijf van deze symptomen langer dan twee weken voorkomen. Net als bij de winterdepressie hangen de symptomen duidelijk, meerdere jaren op rij, samen met het seizoen.

Adviezen

De adviezen bij een zomerdepressie zijn in grote lijnen hetzelfde als bij andere vormen van depressie. Zorg goed voor jezelf. Loop bijvoorbeeld deze lijst eens na, er staan vast dingen op die je voor jezelf kunt doen om de klachten te verlichten. Praten met anderen, actief blijven, zorgen dat je voldoende eet, drinkt en slaapt zijn allemaal voorbeelden waar je vandaag nog mee kunt beginnen. De lijst bevat links naar artikelen waarin je meer kunt lezen over hoe je het aanpakt. Verder geldt specifiek voor seizoensgebonden depressies:

  • Probeer mee te gaan met het seizoen in plaats van er tegenin. Zoek zomeractiviteiten die je wel leuk vindt, zoals een ijsje halen, in de (moes)tuin werken, een waterballonnengevecht houden enzovoort.
  • Zoek plekken op waar je je prettig voelt, ook in de hitte. Iedere provincie heeft bosbaden, meren, zwembaden of andere plekken waar je dichtbij water kunt vertoeven, maar ook in de schaduw kunt zitten. Soms is dat prettiger dan het strand.
  • Heb je last van onzekerheid over je lichaam, probeer dat dan los te laten. De meeste mensen zijn helemaal niet zo bezig met hoe jij eruit ziet. Vergelijk jezelf niet met anderen. De website 99gram van Accare heeft goede informatie en adviezen voor mensen die last hebben van eetproblemen en onzekerheid over hun uiterlijk (vooral gericht op jongeren).
  • Investeer in kleding waarin je je ook in de warmte prettig voelt. Ga voor luchtige broeken, shirts, jurken en rokken op een lengte die je zelf fijn vindt. Kies voor natuurlijke stoffen zoals katoen en linnen, daar zweet je minder in dan in synthetische stoffen zoals polyester. Draag geen kleding die te strak zit. Geen zin om te gaan shoppen? Het kan ook online.
  • Ga niet mee naar activiteiten die je niet leuk vindt. Wordt het je te warm of te plakkerig, stel je vrienden dan eens voor om iets heel anders te doen, bijvoorbeeld naar de bioscoop gaan. Er komen veel leuke films uit in de zomer, het is er binnen lekker koel en je hebt bijna de hele zaal voor jezelf.
  • Heb je moeite met eten, kies dan voor luchtig “zomereten”: salades, fruit, couscous, een broodje gezond… Zorg dat je genoeg binnen krijgt.
  • Drink genoeg water!!!

Zit je te veel in je hoofd en lukt het je niet om negatieve gedachten te doorbreken? Zoek dan op tijd hulp. Wil je niet meteen naar een psycholoog, praat dan eerst eens met je naasten of met een zelfhulplijn.


wrk.jpg
20/apr/2018

Keuzes rondom openheid op je werk over psychische problemen zijn heel persoonlijk en vaak ingewikkeld. Net als bij medische problemen is het niet verplicht om er iets over te zeggen. Maar een psychisch probleem kan je net zozeer hinderen in je werk als een lichamelijke klacht of handicap. Ook kan het zijn dat je het gevoel hebt niet jezelf te kunnen zijn, of steeds voorzichtig te moeten zijn om je klachten verborgen te houden. Toch vinden veel mensen het lastig om open te zijn; ze zijn bijvoorbeeld bang voor stigma. Dit artikel gaat over afwegingen die je kunt maken en hoe je het aanpakt als je ervoor kiest om je situatie te bespreken. Onderaan vind je enkele handige links, waaronder een beslishulp.

Wat is stigma?

Veel mensen hebben angst voor stigma als het gaat om openheid over psychische problemen. Stigma, of stigmatisering, heeft te maken met vooroordelen en de houding naar mensen met een bepaald kenmerk. In dit geval een psychische aandoening. Angst voor stigma kan een grote rol spelen bij keuzes rondom openheid, bijvoorbeeld omdat mensen zich er zorgen over maken wat anderen zullen denken of hoe ze zullen reageren. Ze trekken zich dan bij voorbaat terug. Ook schaamte kan hierbij een rol spelen. Uit een enquête in Engeland en Amerika blijkt dat veel mensen het idee hebben dat er nog steeds sprake is van stigma rondom stress en psychische problemen op het werk, dat ze er niet open over durven te zijn en dat ze niet denken dat hun baas hen zou steunen. Uit ditzelfde onderzoek blijkt echter ook dat 89% van de mensen – dus ook managers – inziet dat psychische gezondheid even belangrijk is als lichamelijke gezondheid, waar we een stuk gemakkelijker over praten. Bedenk ook: als je het niet probeert, kom je er ook nooit achter of negatieve verwachtingen kloppen. En als niemand erover praat, verdwijnt het verschijnsel stigma niet.

Wel bespreken?

Een goed uitgangspunt is om je te richten op de mogelijkheden en beperkingen die je problematiek heeft voor je werk. Je baas en je collega’s zijn geen therapeuten; het is verstandig om professioneel te blijven. Bepaal van tevoren tot in hoeverre je in detail wil treden. Het is prima om het algemeen te houden en je hoeft zeker niet je diagnose te zeggen als je dat niet wil. Het staat je vrij om het bij “een gezondheidsprobleem” te houden en verder over te gaan op de gevolgen voor je werk. Bijvoorbeeld dat je vaker vermoeid bent, dat je je moeilijk kunt concentreren of dat bepaalde taken je zwaar vallen. Oefen het zo nodig een keer met een vriend of familielid, bereid je voor op vragen. Als je iets niet wil vertellen, kun je rustig zeggen: “Dat hou ik liever voor me” of “ik wil er verder inhoudelijk niet veel over kwijt”. Volg je intuïtie hierin en beslis zelf wat voor jou veilig en comfortabel voelt. Denk je dat het binnen de bedrijfscultuur en de relatie met je leidinggevende en het team past om wel wat meer te vertellen, dan kun je dat natuurlijk doen. Bespreek ook hoe lang je verwacht deze klachten te hebben en welke aanpassingen voor jou belangrijk zijn, bijvoorbeeld meer flexibiliteit met deadlines, een rustigere werkplek of meer vrijaf om naar therapie te gaan. Benoem dat je aan je klachten werkt en daarvoor behandeld wordt (of gaat worden).

Voer dit gesprek bij voorkeur op een “rustig” moment waarop je klachten relatief stabiel zijn, dus laat het niet op een crisis aankomen. Je kunt dan helderder denken en hebt meer controle over het gesprek.

Sta open voor de reactie en luister goed naar wat iemand zegt; wellicht valt het wel mee. Leidinggevenden en collega’s zijn ook mensen en hebben zelf vaak ook periodes meegemaakt waarin het minder goed met hen ging.

Niet bespreken?

Je kunt er ook voor kiezen je leidinggevende niet op de hoogte te stellen, maar bij personeelszaken na te vragen of er bijvoorbeeld een ondersteuningsprogramma bestaat voor mensen met jouw problematiek. Soms zijn er trainingen of coaches beschikbaar binnen een bedrijf voor mensen die het wat moeilijker hebben. Je kunt personeelszaken vragen om jouw verzoek vertrouwelijk te behandelen – leg uit waarom je dat wil. Op deze manier hoeft je directe leidinggevende niet meteen te weten wat er aan de hand is.

Je kunt ook een directe collega in vertrouwen nemen zodat je in ieder geval een “maatje” hebt op het werk die weet wat er speelt, maar vraag van tevoren wel of die persoon het goed vindt als je iets persoonlijks deelt. Je kunt natuurlijk vragen om geheimhouding, maar let er wel op dat je je collega daardoor niet in een lastige positie brengt.

Daarnaast kun je extra aandacht besteden aan zelfzorg zodat je bijvoorbeeld in ieder geval voldoende slaapt, eet en beweegt om op je werk te kunnen functioneren.

Beslishulp

Openheid is een heel persoonlijke keuze en voor iedereen wegen andere afwegingen mee. Onlangs lanceerde Samen Sterk zonder Stigma een handige beslishulp over praten op het werk over psychische problemen. Je kunt daarmee voor jezelf inzichtelijk krijgen wat voor jou belangrijk is en er zitten goede tips in. SSzS is een organisatie die wil werken aan een samenleving waarin psychische problematiek bespreekbaar is. Ze richten zich op vergroting van de bewustwording van stigma en de impact ervan. Daarnaast geven ze handvatten zodat cliënten vanuit gelijkwaardigheid en diversiteit deel kunnen uitmaken van hun omgeving.

De beslishulp zit slim en uitgebreid in elkaar. Hij bestaat uit een aantal stappen:

  1. Je eigen keuzes rondom bespreekbaarheid inzichtelijk maken. De tool geeft een lijst de voor- en tegenargumenten voor openheid en vraagt je aan te vinken welke voor jou belangrijk zijn. Je kunt ook zelf een argument invullen.
  2. Op een rijtje zetten wat je nodig hebt op het werk, bijvoorbeeld aanpassingen of steun. Dit kan een belangrijke rol spelen in hoe open je wil zijn.
  3. In kaart brengen wat voor jou belangrijke waarden en doelen zijn die meespelen. Bijvoorbeeld jezelf kunnen zijn of de weg vrijmaken voor anderen om ook open te zijn over psychische problemen.
  4. Afwegen wat een goed moment is voor openheid (al tijdens de sollicitatie, pas op het moment dat je klachten in de weg beginnen te staan van je werk of ergens daar tussenin?) en wat je aan wie zou willen vertellen.
  5. Tips die je mee kunt laten wegen in je beslissing over wat en hoe je wil vertellen.

Meer lezen?

Samen Sterk zonder Stigma heeft ook een uitstekende pagina over wetgeving en privacy als het gaat om deze kwestie en je kunt op hun website ervaringsverhalen lezen van andere mensen.

Verder heeft Stichting Pandora een handig bestand met informatie, een steuntje in de rug. Pandora houdt zich bezig met voorlichting en belangenbehartiging voor mensen met psychische en psychiatrische problemen en hun naasten.


verklaring-1024x683.jpg
02/jan/2018

Soms krijgen psychologen van een cliënt een vraag om een verklaring af te geven. Meestal gaat het om een uitspraak over hoe het met de cliënt gaat (het psychisch functioneren) of over hoe zijn levensomstandigheden eruitzien. Mensen kunnen om allerlei redenen om zo’n verklaring vragen. Vaak is het doel om daarmee iets aan te tonen: geschiktheid, belastbaarheid of beperkingen vanuit psychische problemen. Dat lijkt een gemakkelijke vraag, maar dat is het niet.

Afwegingen bij het afgeven van een verklaring

Een verklaring wordt vaak door mensen gebruikt om een juridisch of materieel belang te dienen. Dat betekent bijvoorbeeld dat iemand de verklaring nodig heeft voor een rechtszaak, een werkgever of een uitkeringsdienst, meestal  om iets aan te tonen. Bijvoorbeeld dat hij niet of minder kan werken, klachten heeft of ergens psychische schade door heeft opgelopen. Voor een behandelaar is dat een lastige vraag. Dat komt doordat het doel van de behandelrelatie is dat je psychische gezondheid verbetert. Daarvoor is de psycholoog opgeleid en dat is de afspraak die jullie samen hebben gemaakt. De vertrouwensrelatie is daarbij van groot belang. Een verklaring aan derden (behalve de verwijzer) kan dit vertrouwen verstoren. In de behandelrelatie gaat het namelijk om samenwerken, maar in een verklaring om beoordelen. De richtlijn van het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP) en van de meeste andere beroepsverenigingen, is dan ook dat een behandelaar geen rol kan spelen in het geven van een feitelijke beoordeling. En dus geen verklaring af kan geven. Het gaat bij een psychologische behandeling immers om jouw waarheid, en niet om het vinden van een “feitelijke waarheid”.

Voorbeeld

Dat lijkt misschien flauw. Als er iemand is die deskundig is op het gebied van jouw functioneren, is het immers je eigen psycholoog wel. Het standpunt van het NIP is echter heel gemakkelijk te begrijpen aan de hand van dit voorbeeld.

Maarten is in behandeling voor burn-out klachten. Nu zit hij al enige tijd thuis en zijn werkgever geeft aan dat hij zo snel mogelijk weer aan het werk moet. De arbo-arts wil graag een inschatting van de belastbaarheid van Maarten, dat wil zeggen een indicatie van de hoeveelheid werk die hij aankan, en een prognose (verwachting) van wanneer hij weer kan beginnen. Maarten speelt zijn vraag door aan zijn psycholoog. Deze weet immers als geen ander dat hij nog steeds veel klachten heeft en nog helemaal niet aan het werk kan. Maar wat als de psycholoog daar vanuit zijn vak anders tegenaan kijkt? Bijvoorbeeld omdat hij inschat dat het vele thuiszitten van Maarten ook niet zo goed voor hem is, of omdat hij ziet dat Maarten vooruitgang maakt in de behandeling en denkt dat het belangrijk is dat hij gaat oefenen met het aangaan van lastige situaties in plaats van ze uit de weg te gaan? Hij zal dat vast bespreken in de gesprekken, maar als hij zijn visie ook deelt met de arbo-arts, kan er een lastige situatie ontstaan voor Maarten. Het advies, dat gegeven is als behandeldoel om samen aan te werken, kan dan “tegen” hem worden gebruikt door zijn werkgever en omgezet worden in een eis of norm: de psycholoog zegt ook dat je niet thuis moet blijven zitten, dus vanaf volgende week gaan we opbouwen. In het slechtste geval voelt Maarten zich niet begrepen of zelfs verraden door zijn psycholoog. De behandeling stagneert. Iedereen is nog verder van huis.

Wat kun je wel doen?

Je mag je psycholoog vragen om schriftelijke informatie te verstrekken over je behandeling, zonder conclusies of waardeoordelen. Je kunt daarmee bijvoorbeeld aantonen dat je in behandeling bent en voor welke klachten. Wil je een volledige beoordeling, wend je dan tot iemand anders dan je eigen behandelaar. Een andere psycholoog of psychotherapeut bijvoorbeeld of een adviesbureau. Als je op internet zoekt op “beoordelen belastbaarheid” of “medische indicatiestelling” vind je er genoeg. De instantie die om een beoordeling gevraagd heeft, kan zelf ook een (onafhankelijke) deskundige inschakelen. Wat je ook kunt doen is zelf een verklaring opstellen over je psychische gesteldheid, maar hou er rekening mee dat dat ook in je nadeel kan werken. Doe het alleen als je heel goed begrijpt hoe je je klachten moet formuleren, hoe je je beperkt tot het strikt noodzakelijke en welke informatie je beter niet kunt geven. Het beste is om hierbij iemand om advies te vragen, bijvoorbeeld een jurist. Wat je beter niet kunt doen is een kopie afgeven van het volledige behandelplan of diagnostiekverslag dat je hebt gekregen. Daar staat meestal veel meer informatie in dan nodig, je maakt jezelf daarmee erg kwetsbaar. Het is ook niet opgesteld met het doel iets aan te tonen of te beoordelen.


christmas-snow-snowman-decoration-40541-1024x683.jpeg
04/dec/2017

De dagen worden korter en het weer wordt slechter. Je kunt minder buiten leven. Veel mensen merken in de herfst en winter dat ze minder goed in hun vel zitten. Maar waarom hebben de seizoenen nou zo’n grote invloed op je gevoel, wat kun je eraan doen als je je niet fijn voelt en wanneer spreek je echt van een winterdepressie?

 

Waarom hebben de seizoenen invloed op hoe je je voelt?

Eigenlijk is het heel natuurlijk om in de winter wat meer naar binnen te keren. Mensen zijn immers gevoelig voor hun omgeving. Ga maar na: op je werk voel en gedraag je je waarschijnlijk anders dan thuis, en op de sportclub misschien ook weer anders. Ook de periode waarin je zit maakt uit: als er veel tegelijk gebeurt in je leven, voel je je nu eenmaal anders (verhuizing, geboorte van een (klein)kind, echtscheiding, een familielid dat veel zorg nodig heeft of zelfs gewoon een drukke tijd op je werk). Het is dus niet zo raar dat we de overgang van de seizoenen ook voelen – zelfs voor dieren is dat zo. In de natuur zie je (op het noordelijk halfrond) elk jaar dezelfde cyclus:

  • Lente: zaaien, opbloeien, nieuw leven.
  • Zomer: bloeien, uitbundigheid, genieten.
  • Herfst: afbraak, oogsten, afscheid.
  • Winter: rust, stilstand, leegte.

Daar is helemaal niets vaags of zweverigs aan: de omgeving verandert en dus voelen we ons anders, zo simpel is het. Over de spirituele of geestelijke betekenis van de herfst en winter bestaan trouwens wel leuke (niet-wetenschappelijke) artikelen voor wie daarin geïnteresseerd is, bijvoorbeeld die op Mens en Gezondheid, Holistik en Inspirerend Leven. Maar zelfs voor wie daar niets mee heeft, is het goed om je te realiseren waar de herfst en winter eigenlijk voor zijn. En dat het zinvoller kan zijn om daar een beetje in mee te gaan dan om het meteen te zien als symptomen die bestreden moeten worden.

Wat kun je zelf doen aan een winterdip?

  • Preventieve behandeling van winterdepressie bestaat vaak uit veranderingen in levensstijl (85%), antidepressiva (84%), psychotherapie (73%) en lichttherapie (72%). Het precieze effect van de verschillende interventies is onduidelijk (bv Nussbaumer-Streit et. al, 2017). Wil je laagdrempelig beginnen, kijk dan eens naar veranderingen in levensstijl zoals beschreven in dit artikel en andere stukken op deze site. En denk eens aan lichttherapie, dat is veilig, niet verslavend en je kunt het gewoon thuis doen. Op indicatie van een psychiater kun je bij een apotheek, thuiszorgwinkel of medische speciaalzaak een apparaat aanschaffen, meestal wordt dit vergoed. Maar voor een paar tientjes kun je zelf ook al een energy light kopen van bijvoorbeeld Medisana of Philips. Let erop dat de lamp in ieder geval 10.000 lux haalt (dezelfde intensiteit als daglicht) en UV-vrij licht geeft, dat is veilig voor de ogen en huid. Ga er elke ochtend twintig minuten direct naast zitten. Ondertussen kun je gewoon lezen of iets anders doen, het is niet nodig om de hele tijd in de lamp te blijven kijken.
  • Vegetariërs moeten extra opletten. Uit een recente studie van Meesters et. al (2017) blijkt dat onder vegetariërs 3 tot 4 keer zo vaak een winterdepressie voorkomt als onder vleeseters. Besteed er in de winter extra aandacht aan dat je de juiste voedingsstoffen binnen krijgt.
  • Slik in de winter extra vitamine D. Dat is een belangrijke vitamine die je lichaam zelf aanmaakt als er voldoende zonlicht is. In de winter kan een tekort optreden. 10mg per dag is een goede dosering.
  • Ga na of je te veel piekert of negatieve gedachten herkauwt. Kijk of je specifieke nare gedachten hebt over de winter (ik kan niet naar buiten, het is altijd donker, ik wou dat het zomer werd, de feestdagen zijn stom enzovoort). Soms kun je zelf iets aan die gedachten doen. Bijvoorbeeld door een lijst te maken van dingen die wél leuk zijn aan de winter. Kun je echt niets bedenken, vraag het dan eens aan je naasten. Kom je er dan nog steeds niet uit en merk je dat je gedachten je dwars blijven zitten, overweeg dan een aantal gesprekken met een psycholoog. Ermee rond blijven lopen vergroot het risico op een depressie (Rough, 2016).
  • Doe mee met het seizoen. Maak het thuis gezellig, steek kaarsjes en lampjes aan, neem een kind mee naar het bos om kastanjes te rapen of paddenstoelen te spotten, trek je regenlaarzen aan en maak een wandeling, koop leuke wintersokken, kijk een kerstfilm, maak een pan boerenkoolstamppot, ga naar de schaatsbaan, brei een sjaal in een kleur die je mooi vindt, koop lekker warme sloffen voor in huis. Enzovoort.
  • Accepteer dat de winter een tijd van rust is en gebruik hem om weer op te laden om straks in de lente en zomer lekker actief te zijn. Loop je niet op te winden omdat je niks kunt doen. Wat zijn rustige activiteiten die voor jou prettig zijn? Denk aan mediteren, een cursus volgen, opruimen in huis, naar de kerk gaan, lezen, je filmverzameling aanvullen, een boek schrijven, afspreken met vrienden die je een tijdje niet hebt gezien, enzovoort. Zoek eens op internet wat er allemaal is of vraag om je heen wat andere mensen doen op lange winteravonden. Wist je bijvoorbeeld dat er een Cinevillepas bestaat waarmee je voor twintig euro per maand onbeperkt naar arthouse films kan? Wat voor weer het ook is. Ik noem maar iets.

Wanneer is een winterdip een depressie?

De definitie van een winterdepressie is een beetje lastig. De DSM (APA, 2013) zegt er het volgende over: winterdepressie (in het Engels Seasonal Affective Disorder) is een specificatie van een terugkerende depressieve stoornis. Het betekent dat er een duidelijke relatie is tussen het begin van de depressie en de tijd van het jaar (meestal de herfst of winter). De hoofdsymptomen zijn meer energie, slaperigheid, te veel eten, gewichtstoename en een hang naar koolhydraten. In de rest van het jaar is er “remissie”, of afname van de symptomen. Iemand voelt zich bijvoorbeeld beter als het lente wordt. Deze cyclus moet zich in ieder geval al twee jaar hebben voorgedaan en het moet vaker zijn voorgekomen dan andere (niet seizoensgebonden) depressieve episoden tijdens de levensloop. Winterdepressie komt vaker voor bij mensen die noordelijker wonen. Jonge mensen lopen een hoger risico.

Je kunt niet spreken van een winterdepressie als er een duidelijke andere oorzaak is die elk jaar om een bepaalde tijd terugkomt. Bijvoorbeeld dat iemand iedere winter werkeloos of dat iemands echtgenoot elke herfst een paar maanden weg is.

Dit is een nogal vage en ook wat droge omschrijving. Daardoor is er ook nog veel discussie onder wetenschappers over de vraag of een winterdepressie wel echt bestaat en hoe je er nou goed onderzoek naar doet (Young, 2016).

Voel je je echt slecht en gaat het niet over, ga dan naar je huisarts. Om jezelf wat inzicht te geven in de ernst van de klachten kun je een online depressietest doen. Hier vind je een overzicht van betrouwbare testen.

Bronnen:

American Psychiatric Association (2013). Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, Fifth Edition. Arlington, VA, American Psychiatric Association.
Nussbaumer-Streit, B., Winkler, D., Spies, M., Kasper, Sl., Pjrek, E. (2017). Prevention of seasonal affective disorder in daily clinical practice: results of a survey in German-speaking countries. BMC Psychiatry. Vol.17 2017, ArtID 247.
Rough, J.N. (2016). An integrative chronobiological-cognitive approach to seasonal affective disorder. Dissertation Abstracts International: Section B: The Sciences and Engineering. Vol.77(4-B(E)),2016, pp. No Pagination Specified.
Meesters, A.N.R., Maukonen, M., Partonen, T., Mannisto, S., Gordijn, M.C.M., Meesters, Y. (2017). Is there a relationship between vegetarianism and seasonal affective disorder? A pilot study. Neuropsychobiology. Vol.74(4), 2017, pp. 202-206.
Young, M.A. (2016). Does seasonal affective disorder exist? A commentary on Transfedt, Mehta, and LoBello (2016). Clinical Psychological Science. Vol.5(4), 2017, pp. 750-754.


© Psychologie Vandaag, kenniscentrum en online therapie 2018. Alle rechten voorbehouden.