Laden. Even geduld aub.

Telefoon0683775936EMAIL: linda [@] psychologievandaag.nlOPENINGSTIJDEN:Maandag-vrijdag 09:00-17:00
jeugdzorg-1024x730.jpg
15/feb/2018

Laten we er geen doekjes om winden: de afgelopen jaren is de jeugdzorg een oerwoud geweest. Er zijn grote beleidswijzigingen geweest die er onbedoeld voor zorgden dat kinderen, jongeren en hun ouders niet (tijdig) de hulp kregen die ze nodig hadden. Veel professionals raakten gefrustreerd, sommige haakten zelfs af omdat ze vonden dat ze hun werk niet meer goed konden doen. Gelukkig lijkt het erop dat er orde komt in de chaos: zowel op beleidsniveau als op inhoudsniveau zijn er goede ontwikkelingen gaande. Dit artikel legt uit waar het mis ging, wat nu de stand van zaken is, wat er de komende tijd gaat veranderen en wat je zelf kunt doen om te zorgen dat je kind zo snel mogelijk hulp krijgt. Of jijzelf natuurlijk als je een kind of jongere bent.

Decentralisatie 2015

In 2015 werd de nieuwe Jeugdwet ingevoerd. Die bepaalde dat de jeugdzorg werd gedecentraliseerd naar de gemeenten – inclusief de jeugd-GGZ (transitie of overgang van het zorgstelsel). Dat betekent dat de gemeenten moeten zorgen dat er genoeg jeugdhulpvoorzieningen zijn, ze bepalen wie er toegang heeft tot die voorzieningen en ze worden verantwoordelijk voor de financiering ervan. Het idee was dat gemeenten beter kunnen inschatten wat er nodig is voor hun bewoners en meer zorg op maat, dicht bij huis kunnen leveren (transformatie of verandering van het zorgstelsel). Op zich niet eens een slecht idee. Het zorgstelsel zoals het vroeger was, was immers duur en ingewikkeld. En dan liet de kwaliteit van de zorg ook nog vaak te wensen over. Nederland was niet het enige land met dit probleem, en ook niet het enige land dat voor decentralisatie heeft gekozen. Denemarken heeft bijvoorbeeld hetzelfde gedaan. De Denen hebben echter zes jaar de tijd genomen voor de transitie en hebben in die tijd veel kinderziekten uit het systeem kunnen halen. Maar in Nederland ging het vier keer zo snel: in anderhalf jaar tijd.

Analyses voorafgaand aan de transitie lieten zien dat er nog veel te veel onduidelijkheid was over het soort activiteiten, bevoegdheden, privacy, doelgroep, aansturing en werkwijze van de gemeenten (Oude Vrielink, Van der Kolk en Klok, 2014). Van Arum en Lub (2014) bestudeerden een groot aantal gemeentelijke beleidsnota’s en stelden vast dat er over de inzet, het functioneren en de effectiviteit van sociale wijkteams nog veel onbepaald blijft. De beleidsnota’s waren daarvoor veelal nog te vaag. De teams zaten eigenlijk nog in de fase van pilots en experimenten. Een grote groep kinder- en jeugdpsychiaters (96.209 ondertekeningen) heeft dan ook tegen de transitie geprotesteerd. Ze gaven aan achter de doelstellingen van de Jeugdwet te staan, maar niet achter de weg waarlangs de Jeugdwet dit wil bereiken.  Er zijn daarnaast verschillende brieven gestuurd aan de Eerste Kamer. Ook de Transitiemonitor Jeugd (2014), Algemene Rekenkamer (2014) en de VNG (2014) spraken in de aanloop naar de decentralisaties bedenkingen uit, niet eens zozeer tegen de plannen zelf maar wel tegen het tempo waarin en de voorwaarden waaronder de veranderingen doorgevoerd werden. Toch werd de transitie niet uitgesteld en helaas is een deel van de zorgen werkelijkheid geworden.

Evaluatie

De evaluatietermijn van de nieuwe jeugdwet zou oorspronkelijk 5 jaar zijn maar werd verkort naar 3 jaar. In de tussentijd regende het in de media noodkreten vanuit cliënten en professionals – te veel om hier weer te geven, maar een rondje googelen geeft een goed beeld. Twee weken geleden, op 30 januari, is gelukkig de eerste officiële evaluatie Jeugdwet door ZonMw aangeboden aan de ministers en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. De evaluatie is gebaseerd op bestaand onderzoek en enquêtes onder gemeenten, zorgaanbieders en ouders. Er komen belangrijke knelpunten uit naar voren die erop wijzen dat er weliswaar een transitie (overgang) is ingezet, maar dat er nog geen transformatie (verandering) tot stand is gekomen. Knelpunten betreffen vooral:

  • toegankelijkheid van de zorg voor ouders en jeugdigen;
  • leggen van verbinding tussen de jeugdhulp en andere domeinen door gemeenten;
  • diversiteit in handelingsbevoegdheid in de lokale teams en zorgen over de expertise van gemeenteprofessionals;
  • toename van de administratieve lasten en minder ruimte;
  • ontbreken van gedeelde visie op passende zorg;
  • tekortschietende rechtsbescherming, bijvoorbeeld van de privacy.

Er worden in de evaluatie geen aanbevelingen gedaan om de Jeugdwet te veranderen. Wel wordt duidelijk dat er nog inspanningen verricht moeten worden door de gemeenten, jeugdhulpaanbieders en het Rijk om de ambities te realiseren. Hierbij wordt met name gedoeld op afspraken over wat je op welk niveau organiseert. Ordening, uniformering en samenwerkingsbereidheid is nodig in de jeugdsector. Het rapport wordt nu eerst op regionale en landelijke ‘ronde tafels’ besproken met gemeenten, instellingen cliënten, om in april a.s. een afgewogen beleidsreactie te kunnen geven.

Goede zorg

In de tussentijd is er hard gewerkt aan de verdere ontwikkeling van de inhoud van de GGZ-zorg. Het Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie heeft in nauwe samenwerking met professionals, kinderen en ouders goede richtlijnen (generieke modules en zorgstandaarden) ontwikkeld. Ze behoren tot de set kwaliteitsstandaarden voor goede geestelijke gezondheidszorg. Op www.thuisarts.nl zijn de kwaliteitsstandaarden samengevat voor cliënten. Dit is een mooie stap die de zorg hopelijk transparanter maakt. En het gemakkelijker maakt om te vragen om wat je nodig hebt.

Hier wordt goed uitgelegd hoe ouders psychische klachten bij hun kinderen kunnen herkennen, wat ze zelf kunnen doen, wanneer ze hulp kunnen krijgen en van wie, en wat daar de route voor is. Ook wordt er informatie gegeven over de verschillende soorten behandeling en over de regels die er zijn voor verschillende leeftijdsgroepen. Bijvoorbeeld wie er mag beslissen en wie recht heeft op informatie.

En hier wordt hetzelfde uitgelegd aan jongeren. Deze website bevat echt goede adviezen, ook aan jongeren die het thuis niet meer zo fijn vinden.

Je kunt ook eens kijken op de website van de Rijksoverheid.

Tip!

De kortste route naar de kinder- en jeugdpsycholoog loopt nog altijd, net als vroeger, langs de huisarts. Met een duidelijke verwijsbrief kun je jezelf of je kind nog steeds direct aanmelden bij een psycholoog of instelling die je zelf hebt gekozen. De gemeente raakt dan niet betrokken.

Bronnen

Algemene Rekenkamer (2014). Pleidooi voor één beoordelingsmoment decentralisatie en tijdelijke Transitie Autoriteit. http://www.rekenkamer.nl/Nieuws/Persberichten/2014/05/Pleidooi_voor_%C3%A9%C3%A9n_beoordelingsmoment_decentralisatie_en_tijdelijke_Transitie_Autoriteit

Arum, van, S. & Lub, V. (2014). Wat gemeenten van sociale wijkteams verwachten. Beleidsonderzoek, juni 2014.

Oude Vrielink, M.; Kolk, van der, H.; & Klok, P-J. (2014). De vormgeving van sociale (wijk)teams. Platform 31.

Transitiemonitor Jeugd (2014). Rapport meting Transitiemonitor Jeugd. Stand van zaken transitie Jeugdzorg bij gemeenten op peildatum 14 november 2014. [internet] te vinden op www.voordejeugd.nl

VNG (2014). Tijd voor Transitie Jeugdzorg krap, maar haalbaar. VNG Magazine, 04-03-2014. http://www.vngmagazine.nl/nieuws/15801/%E2%80%98tijd-voor-transitie-jeugdzorg-krap-maar-haalbaar%E2%80%99

 


therapiewerktniet-1024x683.jpeg
25/jan/2018

 

Het kan voorkomen dat een therapie je niet helpt. Of niet snel genoeg, of niet op de manier die je had verwacht. Dat is vervelend, want je wilde graag van je problemen af komen. Dit artikel legt je een aantal dingen uit over het therapeutisch proces waar je misschien nog niet aan had gedacht en die je kunnen helpen. Ten slotte komen er oplossingen aan bod zodat je meer uit je therapie kan gaan halen.

Waarom zou therapie kunnen helpen?

Er is heel veel onderzoek gedaan naar de werkzaamheid van therapie. Bijvoorbeeld welke soort therapie helpt bij welke problematiek. Er zijn binnen de psychologie veel stromingen en bij elke stroming horen andere interventies (behandelmethodes). Je psycholoog kan je er meer over vertellen, maar je kunt natuurlijk ook altijd zelf dingen opzoeken op internet. Op dit moment bevat www.thuisarts.nl de meest up to date adviezen per klachtbeeld en informatie over behandelmethodes waarover veel bekend is. Maar staar je niet al te veel blind op het soort behandeling. Dat klinkt misschien raar, maar er is veel onderzoek (o.a. dat van Lambert, 1992) waaruit blijkt dat andere dingen minstens even belangrijk zijn als de precieze soort therapie: de band met de therapeut, verwachtingen van therapeut en cliënt, warmte, betrokkenheid, inzet van de cliënt en het emotionele leerproces. Deze componenten komen in alle therapieën terug en op een groot deel ervan heb je als cliënt zelf invloed. De les daaruit is: therapie is niet iets wat de therapeut bij jou “doet”, het is geen boekje met uitleg over hoe je in elkaar zit of een set oefeningen en tips die je uitvoert, waarna je van je problemen af bent. Het is een proces waar je samen met je therapeut in zit en waarin je zelf verantwoordelijk bent om aan jezelf te werken – dat kan iemand anders niet voor je doen. Natuurlijk heeft je therapeut wel bepaalde therapeutische kennis en technieken die hij zal inzetten. Maar hij heeft jou daar heel hard bij nodig. Dit is anders dan bij een arts, die zo snel mogelijk de symptomen te lijf zal gaan. Wat dat betreft werkt de psyche anders dan het lichaam.

Het hoort erbij dat het moeilijk is

Voor veel psychische klachten is geen snelle en pijnloze behandeling. Een paar jaar geleden schreef Jan Derksen, klinisch psycholoog en hoogleraar, er een mooi boek over. ‘Psychische problemen zijn frustrerend en de psychotherapeutische behandeling kan dit ook zijn, in elk geval gedurende bepaalde fasen of op sommige momenten. (…) Er komt druk aan te pas, pijn, onmacht, klem zitten, hinderlijke symptomen, geen kant op kunnen.’ Van jouw kant als cliënt is dan ook aardig wat doorzettingsvermogen nodig op momenten dat het moeilijk loopt: ‘Het is erg verleidelijk internet op te gaan, rond te surfen en een andersoortige therapeut te vinden, er zijn er talloze, met foto en aantrekkelijke uitstraling, die gouden bergen beloven.’ Ook kan je ervoor kiezen het moeilijke gesprek niet aan te gaan, maar je symptomen te bestrijden met psychofarmaca (pillen). Dat mag. De vraag is waar je meer mee bent geholpen op de lange termijn, en die vraag in je eentje beantwoorden is best moeilijk.

Hou er rekening mee dat het veranderen van je manier van denken, je gevoelsleven en je gewoontes niet alleen moeilijk is maar ook tijd kost. Het zou heel gek zijn als dat niet zo was, je kunt jezelf niet in een dag opnieuw uitvinden. Gun jezelf die tijd. Als er een snelle oplossing was, had je hem allang gevonden. En, ook niet onbelangrijk: je therapeut kan niet in je hoofd kijken en heeft ook tijd nodig om jou te leren kennen.

Maar wat als ik er echt niet mee opschiet?

Ga eens na of je erachter kan komen waar het aan ligt dat je er weinig aan hebt. Als je nog niet zoveel weet van therapie, ligt al snel het gevaar op de loer dat je in het begin te hoge of verkeerde verwachtingen hebt. Het kost tijd om die verwachtingen bij te stellen (Greer, 1980). En het is normaal om na een paar sessies, als je gewend bent aan de realiteit van therapie, wat minder vertrouwen in verandering te hebben (Holt en Heimberg, 1990). Uiteindelijk komen de verwachtingen van cliënten en hun therapeuten vaak wel dichter bij elkaar te liggen (Benbenishty & Schul, 1989) en ervaren cliënten een sterkere band met het hun therapeut, en meer steun en nut van de sessies (Joyce en Piper, 1998). Het gevoel dat het niet werkt kan dus een fase zijn waar je even doorheen moet. Drie dingen die daarbij belangrijk zijn en waar je zelf iets in kunt ondernemen (Bordin, 1994):

  • Ga na of je dezelfde therapeutische doelen hebt als je therapeut. Als het goed is, staan je doelen in je behandelplan. Pak dat er af en toe eens bij. Stel zo nodig de doelen bij. Kijk bijvoorbeeld of je ze specifieker kunt maken. “Minder somber worden” is bijvoorbeeld een heel breed doel. Wat betekent het voor jou om minder somber te zijn? Waaraan zou je het merken als je dat was? Wat is ervoor nodig om daar te komen? Bespreek dit met je therapeut.
  • Ga na of je het eens bent over de therapeutische taken en activiteiten. Sommige psychologen geven huiswerkopdrachten, andere niet. Sommige luisteren vooral, andere leggen juist veel dingen uit. Sommige richten zich erg op gedrag (wat kun je doen om je beter te voelen), andere vinden het belangrijk om eerst samen goed te begrijpen hoe je problemen precies tot stand zijn gekomen. Het kan allemaal, maar het is vervelend als je verwachtingen daarover ver uit elkaar liggen, want dan krijg je alleen maar frustratie. Bespreek wat jou het beste helpt. Vraag aan de therapeut of dat wat jij wil, kan. Een psycholoog kan niet altijd zijn hele behandeling omgooien – hij zal immers een reden hebben om te behandelen zoals hij doet – maar soms kan hij je wel tegemoet komen. Of hij beheerst ook een andere behandelmethode die beter bij je aansluit.
  • Ga na of je een band ervaart met deze therapeut. Een goede band betekent niet dat iemand nooit iets verkeerd zegt, of iets wat je lastig vindt om te horen. Het heeft te maken met klik, met het gevoel hebben dat je je verhaal kwijt kunt. Lees bijvoorbeeld ook eens dit artikel voor meer uitleg en voor adviezen over hoe je dingen die niet zo lekker lopen op een goede manier bespreekt. Net zoals elke band (met vrienden, collega’s, je partner en zelfs met je hond), heeft ook de therapeutische relatie tijd nodig om te groeien. Maar soms merk je dat het er gewoon niet in zit met een bepaalde persoon. Juist omdat dit zo belangrijk is voor de therapie, kan dit een reden zijn om niet verder te gaan.

En als ik die dingen al geprobeerd heb?

Als je hebt doorgezet en je merkt dat het echt niet werkt, of dat het hem gewoon niet wordt met deze psycholoog, kun je dat het beste bespreken met je therapeut of met je huisarts. Meestal weten zij de weg naar een andere behandeling, eventueel bij een andere psycholoog. Of misschien besluiten jullie samen wel dat het niet het goede moment is voor een therapie en dat jij op dit moment niet verder kan groeien dan je tot nu toe hebt gedaan. Plan een afsluitend gesprek en ga daarna iets leuks doen. Gewoon als beloning omdat je het zo goed hebt geprobeerd.

Bronnen:

Benbenishty, R. & Schul, Y. (1987). Client-therapist congruence of expectations over the course of therapy. Britisch Journal of Clinical Psychology, 26, part 1, pp. 17-24.

Bordin, E. S. (1994). Theory and research on the therapeutic working alliance: New directions. In A. O. Horvath & L. S. Greenberg (Eds.), The working alliance: Theory, research and practice (pp. 13–37). New York: Wiley.

Derksen, J. (2011). De woorden om het te zeggen. Psychotherapie voor psychotherapeuten. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam.

Greer, F. L. (1980). Prognostic expectations and outcome of brief therapy. Psychological Reports, 46, 973–74.

Holt, C. S., & Heimberg, R. G. (1990). The Reaction to Treatment Questionnaire: Measuring treatment credibility and outcome expectancies. the Behavior Therapist, 13, 213–214, 222.

Joyce, A. S., & Piper, W. E. (1998). Expectancy, the therapeutic alliance, and treatment outcome in short-term individual psychotherapy. Journal of Psychotherapy Practice and Research, 7, 236–48.

Lambert, M. (1992). Implications for outcome research for psychotherapy integration. In: Norcross, J.C. & Goldstein, M.R. Handbook of psychotherapy integration. New York: Basic Books, pp. 94-129.


puzzle-1024x683.jpeg
30/nov/2017

Het kan gebeuren dat je een therapie gestart bent, maar merkt dat je helemaal niet zo’n goede klik hebt met de psycholoog. Dat is lastig, want in een behandeling bespreek je intieme en kwetsbare dingen. Het is daarom belangrijk dat je een psycholoog hebt waar je je vertrouwd bij voelt. De behandeling wordt daar alleen maar beter van. Voel je het vertrouwen of de klik niet zo, dan zijn er een aantal dingen die je kunt doen. Dit artikel legt uit wat je rechten zijn en hoe je het probleem op een goede manier oplost.

Recht op vrije keuze van behandelaar

In Nederland hebben cliënten vrije artsenkeuze. Dat is geregeld in artikel 13 van de Zorgverzekeringswet. Omdat de GGZ onder de Zorgverzekeringswet valt, is dit artikel ook op psychologen en andere GGZ-behandelaren van toepassing. Het artikel betekent dat je het recht hebt zelf te kiezen door wie je behandeld of onderzocht wil worden. Deze vrije keuze geldt ook voor de behandelaar van je kind.

Let op: de vrije artsenkeuze is een recht van de cliënt en daarom ligt de verantwoordelijkheid voor het kiezen ook bij de cliënt. Dat betekent dat je, als je van dit recht gebruik wil maken, dit zelf moet aankaarten. Het is altijd goed om je, zodra je je aan wil melden, te oriënteren op de beschikbare hulpverleners. Veel praktijken en instellingen geven tegenwoordig op hun website informatie over hun behandelaars, hun achtergrond en hun specialisaties. Je kunt dan nog voor het eerste gesprek je keuze of voorkeur kenbaar maken.

Soms ben je al toegewezen aan een bepaalde behandelaar en kom je er pas gaandeweg achter dat het niet zo goed klikt. Ook dan kun je nog gebruik maken van je vrije artsenkeuze. Je mag dus altijd wisselen.

Hou er rekening mee dat de praktijk of instelling je niet altijd direct een andere behandelaar zal kunnen aanbieden. Soms houdt je keuze in dat je langer moet wachten of naar een andere locatie moet. Vraag dit altijd goed na. En hou het netjes. Op intimiderende wijze eisen stellen (“jullie psycholoog is een prutser, ik wil volgende week nog een ander!”) is altijd onaanvaardbaar.

Wisselen is wel een hoop gedoe, zijn er nog andere dingen die ik kan proberen?

Een belangrijke eerste stap vind ik altijd om bij jezelf na te gaan wat er precies misgaat in het contact met deze psycholoog. Therapie is nou eenmaal soms moeilijk, geen enkele therapeutische relatie is perfect, en het zal af en toe voorkomen dat een therapeut iets zegt wat je lastig vindt om te horen. Sterker nog: een therapie waarin iemand het altijd met je eens is, is niet effectief. En misschien is de behandelrelatie juist wel een goede gelegenheid om eens te “oefenen” met onderzoeken wat er nou bij jou gebeurt als iemand iets zegt wat je boos of verdrietig maakt, en hoe je daarop reageert. In therapie zien we vaak de reactiepatronen terug die iemand in het echte leven ook heeft. Dus als iemand met vrienden en familie de neiging heeft om weg te lopen als er een probleem is, kan het ook gebeuren dat hij dat in therapie wil doen. Nu is het voordeel van een therapeut juist dat deze is opgeleid om dit soort dingen op een goede manier te bespreken. Probeer het eens! Psychologen schrikken niet zo snel als je aankaart wat je lastig vindt, we praten immers de hele dag met mensen over gevoelens. Misschien blijk je wel veel beter te kunnen zeggen wat je ervaart dan je dacht, word je verrast door de reactie die je krijgt en kun je je weer veilig gaan voelen in de therapeutische relatie. Je hebt dan iets bijgeleerd over jezelf (daar is therapie voor) en je hebt ook nog eens voorkómen dat je helemaal opnieuw moet beginnen met iemand anders.

Probeer de volgende stappen eens:

  • Denk voor jezelf goed na over wat je dwars zit. Waardoor heb je het gevoel dat er geen klik is? Laat de psycholoog te lange stiltes vallen? Komt hij juist te snel met een conclusie of advies? Vind je het lastig dat hij typt of schrijft tijdens het gesprek? Zitten jullie niet op één lijn, ligt jullie tempo anders? (bijvoorbeeld: jij hebt meer tijd nodig om je verhaal goed te doen en je psycholoog komt al met opdrachten of interventies) Zijn er bepaalde onderwerpen waar je psycholoog nooit naar vraagt, maar waar je het al een tijdje over zou willen hebben? Doet hij iets anders waardoor je het gevoel hebt dat hij je niet zo goed begrijpt? Heeft hij misschien iets gezegd of leid je dat ergens anders uit af? Schrijf het zoveel mogelijk op.
  • Ga na wat je gevoel is als deze dingen gebeuren. Maakt het je boos, verdrietig, teleurgesteld, gefrustreerd, bang, triggert het iets bij je? Iets anders?
  • Geef de volgende keer dat je elkaar ziet aan dat je het wil hebben over het contact tussen jou en je psycholoog, of als je dat te direct vindt, over hoe de gesprekken gaan.
  • Vertel wat je hebt opgeschreven. Probeer vanuit jezelf te praten, dat doe je door je zin met “ik” te beginnen en (als je dat wil) iets over je eigen gevoel te zeggen.
Zeg niet: Maar:
Je begrijpt me niet. Ik heb het gevoel dat je me niet altijd begrijpt.
Je stelt altijd de verkeerde vragen. Ik weet vaak het antwoord op je vragen niet. Of: Ik begrijp je vragen vaak niet. Of: door de vragen die je stelt, gaat het gesprek vaak over onderwerpen die niet zo belangrijk voor mij zijn.
Je laat steeds van die lange stiltes vallen. Ik voel me ongemakkelijk als er lange stiltes vallen. Ik heb er behoefte aan om iets meer te weten over wat je op die momenten denkt.
De huiswerkopdrachten zijn niet goed. Ik merk dat ik niet zoveel aan de opdrachten heb. Misschien kunnen we nog eens stilstaan bij waar ze precies voor zijn. Zijn er ook andere dingen die ik thuis kan doen?

 

  • Luister goed naar de reactie. Sta open voor het antwoord dat je krijgt. Het kan zijn dat je psycholoog ook gemerkt heeft dat het stroef gaat en daarover een vraag of opmerking aan jou heeft. Neem de tijd om te reageren of zeg dat je er even over na wil denken, en er de volgende keer op terugkomt. Dat mag altijd.
  • Bespreek het gesprek na met iemand in je omgeving die je vertrouwt.

Het kan zijn dat je hierna tot de conclusie komt dat dit probleem niet goed op te lossen is en dat je alsnog van behandelaar wil wisselen. Bijvoorbeeld omdat je psycholoog datgene waar je moeite mee hebt, niet kan veranderen, omdat het bij zijn werkwijze hoort, bij zijn persoonlijkheid of bij de regels van de instelling. Of omdat hij iets van jou verwacht wat je niet wil of kan. Of omdat het inderdaad gewoon een kwestie van “klik” is, zonder dat iemand iets verkeerd doet. Alle mensen zijn nu eenmaal verschillend. Dat kan, maar dan heb je daar nu in ieder geval duidelijkheid in en je bent op een goede manier voor jezelf opgekomen. Die kennis kan je ook meenemen als je de stap zou maken om voor iemand anders te kiezen.

Moet ik het mijn psycholoog laten weten als ik de behandeling wil stopzetten?

Volgens de WGBO (wet op de geneeskundige behandelovereenkomst) mag je als cliënt altijd de behandeling stopzetten. Je hoeft daar geen reden voor te geven. Het is wel netjes om je psycholoog in ieder geval even te laten weten dat je stopt. Hij weet dan dat je niet meer komt en kan ook het traject afsluiten. Ook voor jezelf is het handig: misschien kan je psycholoog wel meedenken over een collega of een andere instelling waar je terecht kunt, of kan hij je de rapportage van je behandeling meegeven.

Lukt het je echt niet om dit met je psycholoog te bespreken, laat het dan in ieder geval aan de administratie weten.
Als je niets laat weten maar gewoon wegblijft, krijg je waarschijnlijk nog een of meerdere brieven of telefoontjes met de vraag om binnen een bepaalde termijn te laten weten wat je met de behandeling wil. Reageer je daar ook niet op, dan word je uitgeschreven. Hou er rekening mee dat als je later toch weer hulp wil van deze instelling, je je opnieuw zult moeten aanmelden en eventueel weer op de wachtlijst komt te staan.


waiting2-1024x681.jpeg
26/nov/2017

Voor de meeste mensen is het een grote stap om een verwijsbrief voor een psycholoog of psychiater te vragen aan hun huisarts. Is die stap eenmaal gezet, dan willen ze graag snel met hun problemen aan de slag. Logisch! Helaas belanden veel mensen eerst op een wachtlijst en kan het gemakkelijk een paar weken of maanden duren voordat ze aan de beurt zijn. Dit artikel beschrijft hoe die lange wachtlijsten zijn ontstaan, wat er op dit moment aan gedaan wordt en hoe je er zelf voor kunt zorgen dat je sneller hulp krijgt.

Sommige onderwerpen in dit artikel zijn ook van toepassing op de jeugdzorg, maar niet alles. Over de wachttijden in de jeugdzorg volgt daarom een apart artikel.

Waarom zijn er wachtlijsten in de GGZ?

Het ontstaan van (lange) wachtlijsten is een complex probleem, maar heeft vooral te maken met wijzigingen en bezuinigingen in het zorgstelsel. Het aantal bedden in instellingen is snel afgebouwd, want het was de bedoeling dat mensen voortaan steeds meer in hun eigen omgeving werden geholpen. Bij een psycholoog dichter bij huis bijvoorbeeld, in de generalistische basis GGZ (vroeger de eerste lijn) of in de specialistische GGZ (vroeger de tweede lijn). Dat noem je “ambulante zorg”. Tegelijkertijd neemt het aantal mensen met psychische klachten echter nog altijd toe. Omdat mensen met lichte klachten al geen doorverwijzing meer krijgen naar een psycholoog, hebben degenen die wel in zorg komen al een zwaardere hulpvraag waarmee ze langer in zorg zijn. Dat betekent dat er van twee kanten een zwaarder beroep wordt gedaan op de praktijken en instellingen: aan de ene kant van cliënten die vroeger misschien opgenomen zouden zijn, en aan de andere kant van cliënten die met zwaardere problematiek in zorg komen.

Die beleidswijzigingen zijn zo snel geweest dat de ambulante sector niet mee kon groeien. En dat merken we sindsdien aan de wachttijden. Wat ook meespeelt is dat de administratieve last hoger is dan ooit: in de GGZ zijn behandelaren inmiddels een derde van hun tijd kwijt aan administratie. Dat is allemaal tijd die niet aan cliënten besteed kan worden. Tot slot zijn er onvoldoende goed opgeleide professionals, oftewel psychologen die na hun masterdiploma een vervolgopleiding hebben gevolgd zoals de GZ-opleiding, waardoor ze in het BIG-register worden opgenomen. Zonder deze registratie kunnen ze bijvoorbeeld niet als hoofdbehandelaar aan de slag. Het NIP maakte afgelopen mei een korte film over dit probleem.

Wat is eigenlijk een “acceptabele” wachttijd?

Het probleem is inmiddels iedereen duidelijk. Al in 2000 zijn door het werkveld en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) afspraken gemaakt over wat acceptabele wachttijden zijn. Dit noem je Treeknormen. De Treeknorm houdt in dat je binnen vier weken terecht moet kunnen voor een eerste gesprek (intake) met een zorgaanbieder. Na dit eerste gesprek moet je in de GGZ binnen tien weken terecht kunnen voor een behandeling. In deze factsheet van de NZa vind je er meer informatie over.

Helaas moeten cliënten vaak langer wachten dan de Treeknormen, zeker als ze zich aanmelden met complexe problematiek. Onder complexe problemen verstaan we bijvoorbeeld autisme, persoonlijkheidsstoornissen en vroeg trauma. In 2014 wijdde Kassa een aantal uitzendingen aan de lange wachttijden, maar sindsdien is er weinig veranderd. In de Volkskrant verscheen in januari 2017 een goed artikel over de risico’s van de wachtlijstproblematiek. In april 2017 luidde Kassa opnieuw de noodklok met een duidelijke uitzending die de moeite van het bekijken zeker waard is.  In mei 2017 liet de NZa weten de te lange wachttijden te gaan aanpakken. Er is een actieplan verzonden aan het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en de NZa spoort mensen aan te lange wachttijden te melden bij het meldpunt. Sinds die tijd is er hard gewerkt.

Wat wordt er gedaan aan de wachttijdproblemen?

Niemand in het veld is blij met de wachtlijstproblemen, en iedereen is zich ervan bewust dat de cliënt hieronder lijdt. Elke behandelaar zou een cliënt liever direct uit willen nodigen, zodat we eerder kunnen ingrijpen en de problemen niet verergeren terwijl iemand op de wachtlijst staat. We kunnen echter niet zomaar meer behandelaren of meer tijd uit de lucht toveren, hoe schrijnend dat ook is. Het probleem moet breder aangepakt worden.

Volgend op de signalen van het afgelopen jaar hebben zorgpartijen de handen ineengeslagen om het wachtlijstprobleem op te lossen. Betrokken partijen zijn het VWS, GGZ Nederland, cliëntenvereniging MIND, Zorgverzekeraars Nederland en verschillende beroepsorganisaties van psychologen en psychiaters. Ook huisartsen, die veel problemen ervaren met de wachttijden omdat ze cliënten niet goed kunnen doorverwijzen, zijn betrokken.

Op 3 oktober is  gestart met het lanceren van regionale taskforces en de start van verdiepend onderzoek met het doel om knelpunten in de wachttijden op te lossen. Met betrekking tot de administratieve last is GGZ Nederland in november 2017 de campagne ‘Minder regelgekte, meer zorg‘ gestart. Met steun van het ministerie hebben verschillende veldpartijen door middel van schrapsessies bepaald welke administratieve handelingen weg kunnen. Inmiddels zijn hier al betere afspraken over.

Verder heeft de overheid meer geld vrijgemaakt voor opleidingen. In 2019 komen er bijvoorbeeld 185 nieuwe GZ-opleidingsplaatsen bij. Op die manier zijn er straks meer goed gekwalificeerde (regie)behandelaren.

Wat kan ik zelf doen om te zorgen dat ik sneller terecht kan?

Als je van je zorgaanbieder te horen krijgt dat je langer moet wachten dan de Treeknorm, kun je een aantal dingen doen.

  1. Vraag wat je zelf alvast kunt doen en welke tijdelijke zorg eventueel al mogelijk is. Soms kan je zorgaanbieder je wijzen op een collega die je eerder kan helpen.
  2. Neem contact op met je zorgverzekeraar voor wachtlijstbemiddeling. Je zorgverzekeraar heeft de plicht je te bemiddelen naar een andere aanbieder waar je wel op tijd terechtkunt.
  3. Als dat niet tot een oplossing leidt, meld het probleem dan bij de NZa. Sinds de eerdergenoemde uitzending van Kassa doen steeds meer mensen dat en in een aantal gevallen heeft de NZa goed kunnen bemiddelen.
  4. In november 2017 zijn GGZ Nederland, cliëntenorganisatie MIND en Zorgverzekeraars Nederland een campagne begonnen: Weg van de Wachtlijst. Hou deze campagne in de gaten voor updates.
  5. Ga zelf op zoek naar iets wat je kunt doen ter overbrugging. Bijvoorbeeld een mindfulness- of assertiviteitstraining. Het wijkteam in je buurt is goed op de hoogte van het aanbod in jouw regio. Ook kun je kiezen voor een tijdelijke lichtere therapie. Op de website van beroepsvereniging NVPA  vind je psychosociaal therapeuten in het hele land. Als je aanvullend verzekerd bent, krijg je vaak een aantal gesprekken vergoed. En gebruik de adviezen die je op het internet kunt vinden om te voorkomen dat je verder afglijdt. Maak wel onderscheid tussen betrouwbare en minder betrouwbare sites. Kijk voor een lijstje van goede cliëntenwebsites bijvoorbeeld eens onder links.

© Psychologie Vandaag, kenniscentrum en online therapie 2018. Alle rechten voorbehouden.