Is ADHD een modeverschijnsel?

12 januari 2020 by Linda Mulders
adhd2.jpg

Soms vragen mensen me of ADHD niet gewoon een “hype” is, of een modeverschijnsel. Geen gekke vraag, want het is veel bekender dan vroeger. In sommige schoolklassen lijkt het wel ADHD-diagnoses te regenen. Het antwoord vraagt wat nuance: nee en ja. Achter het hype-achtige uiterlijk van ADHD schuilt een structureel, blijvend fenomeen. Hoewel het belangrijk is om kritisch te blijven kijken naar de manier waarop we kinderen met ADHD-gedrag typeren, gaat het wel degelijk om kinderen in nood. En dat betekent dat we ze moeten helpen.

Nee, geen modeverschijnsel

Aan de ene kant is het verschijnsel ADHD niet nieuw. Dat wil zeggen: kinderen met dit gedrag zijn al heel lang in beeld. Ongeveer sinds 1890. Historicus Timo Bolt schreef er een boeiend boekje over: Van Zenuwachtig tot Hyperactief. Hij beschrijft daarin dat de kijk op deze kinderen met de tijdsgeest meeveranderde.

Van 1890 tot 1930 werd gesproken van zenuwachtigheid (in Duitsland), instabiliteit (in Frankrijk) of van een moreel-ethisch defect (in Engeland). Vooral bij deze laatste groep werden ‘lastige’ kinderen nog niet met medische termen aangeduid. De problemen die ze hadden, werden gezien als opvoedkundig of zedelijk. Ze zouden dus door de ouders, andere opvoeders en eventueel een priester moeten worden opgelost. Niet door een arts. Deze kinderen moest geleerd worden om (verkeerde) driften, impulsen en neigingen te beheersen. Het ging daarbij vooral om maatschappelijke invloeden. Dit begon te veranderen in de periode daarna.

In de periode van 1930 tot 1960 had men het niet langer over een morele achterstand, of ‘achterlijkheid’ maar over een functionele. Er werd uitgegaan van een stoornis in de aandachtsbepaling, waardoor kinderen ongeremd en impulsief waren. De ongedurigheid zou dus aangeboren zijn, maar de invloed van omgevingsfactoren werd al heel belangrijk gevonden. Het ging niet meer om maatschappelijke invloeden, maar om de gezinssituatie. Dit onder andere onder invloed uit de psychoanalyse. Deze kinderen hadden leiding nodig. Ook psychiaters, onderwijzers en psychologen kregen meer bemoeienis met deze kinderen. Dat komt doordat in deze tijd onderwijs en geestelijke gezondheidszorg dichter bij elkaar kwamen te staan.

In de periode van 1960 tot 1985 kwam vanuit Amerika een nieuwe term overgewaaid: MBD, oftewel Minimal Brain Damage of (ook wel Minimal Brain Dysfunction). Het ging nog steeds over ongeveer dezelfde groep kinderen, maar de gedragsproblemen werden nu nu niet meer psychoanalytisch geduid, maar organisch. Dus lichamelijk, of neurologisch. Het concept was omstreden. Bij de oorspronkelijke MBD-kinderen was vastgesteld dat ze een hersenbeschadiging hadden die leidde tot probleemgedrag, maar dat betekent niet dat je omgekeerd hetzelfde kunt zeggen. Niet alle kinderen met probleemgedrag hebben immers een hersenbeschadiging. Om het begrip zo breed te gaan toepassen, leek dus wat voorbarig. In Europa bestond echter al snel een medisch verklaringsmodel, náást het vertrouwde psychoanalytische kader. Oftewel: er moest vroeg onderkend worden wat er met het kind aan de hand was, zodat er geen ongunstige wisselwerking tussen kind en omgeving kon ontstaan.  Zeker vanaf 1975 leek het aantal MBD-kinderen snel toe te nemen. Ook dat kun je verklaren uit maatschappelijke ontwikkelingen. Het is de moeite waard om het boek van Bolt te lezen om dit beter te begrijpen.

Na pakweg 1985 ging het snel. In 1980 werd MBD in het diagnostisch handboek, de DSM, vervangen door ADD (Attention Deficit Disorder without Hyperactivity) en ADDH (Attention Deficit Disorder with Hyperactivity). In de nieuwe versie van de DSM in 1987 werd ADHD geïntroduceerd en in de jaren negentig werd het bekender in Nederland. Deze kinderen kregen steeds vaker methylfenidaat (zoals Ritalin) voorgeschreven. Je kunt dat zien in het kader van een ‘pendelbeweging’ in de psychiatrie in deze periode. Hierbij werd vaker een medsich-biologisch model gebruikt. Niet voor niets werden de jaren negentig ook ‘het decennium van het brein’ genoemd. Vanaf 1985 kreeg bovendien research een steeds grotere plaats in het vakgebied, met een explosie aan ADHD-onderzoek tot gevolg. Hoewel het bij hersenonderzoek vaak ging om kleine, gemiddelde afwijkingen waarmee je niet goed een onderscheid kon maken tussen mensen met en zonder ADHD, werd het toch als ziekte bestempeld. Let er daarbij op dat de DSM in veel opzichten sterk cultureel en historisch gekleurd is. En dat de term ADHD (als DSM-categorie) alleen iets zegt over gedrag, en niet over de oorzaak. Wat er precies ‘mis’ zou zijn in de hersenen van mensen met ADHD, is nog steeds onopgehelderd.

Je zou dus kennen zeggen dat de groep kinderen met ADHD-achtig gedrag al zo lang bestaat, dat je niet van een “hype” kunt spreken. Maar: sinds de invoering van de DSM wordt het wel vaker gesteld en meer gezien als een diagnose, oftewel een echte ziekte.

Ja, wel een modeverschijnsel

Zoals Bolt in zijn boek erkent, heeft de opkomst van ADHD sinds de jaren negentig wel degelijk mode-achtige trekken. Hij noemt bijvoorbeeld de rol van de media. Door de grote media-aandacht verdwenen de stoornis en het ziektebeeld uit de taboesfeer. ADHD werd in de televisieprogramma’s en artikelen namelijk gespresenteerd als een ‘normale’ behandelbare kinderaandoening. Ouders en leerkrachten konden eerder signaleren dat een kind mogelijk ADHD had en eerder naar een arts gaan. Vervolgens nam het aantal ADHD-diagnoses en behandelingen met methylfenidaat toe. De werkzaamheid van methylfenidaat versterkte vervolgens het idee van ADHD als een diagnostische categorie (spiraaleffect).

Een ander idee is dat ADHD een ziekte is van de ‘moderne samenleving’ met al zijn prikkels en gestresste, werkende ouders. Het is de vraag of dit terecht is. Middeleeuwse steden waren een stuk prikkelrijker (herrie, stank) en er was minder quality time voor kinderen. Bovendien klagen mensen al sinds het begin van de jaartelling over de vorige generatie, oftewel ‘de jeugd van tegenwoordig’. Het enige wat je zou kunnen zeggen, is dat er in de huidige samenleving hogere eisen worden gesteld aan kinderen. Kinderen die wat kwetsbaarder zijn, komen daardoor wellicht sneller in moeilijk vaarwater terecht. Deze kinderen en hun ouders hebben bovendien te maken met hoge idealen van ‘maakbaarheid’.

Tot slot wijst Bolt op de opmars van ADHD in een tijd van medische vooruitgang en medicalisering. Ook mondige ouders die actief vragen om een diagnose, spelen een rol. Maar ook de afname van het aantal mannelijke leerkrachten in het onderwijs en de mogelijke benadeling van jongens. Bolt heeft veel van de medicaliseringsliteratuur gelezen en wil daar wel een kanttekening bij maken:  het zijn wel erg schematische en algemene betogen, waarbij allerlei verbanden erg gemakkelijk gelegd en onvoldoende geproblematiseerd worden.

Hoe dan ook

Of ADHD nou een modeverschijnsel is of niet, benadrukt Bolt dat het wel degelijk gaat om kinderen in nood. Je kunt het probleem niet zomaar wegzetten als druk, normaal jongensgedrag waarmee softe juffen en slappe ouders geen raad weten. En het blijft belangrijk om te kijken wat we voor deze kinderen kunnen doen, of dat nou medicatie is of iets anders. En daar kan ik, op basis van mijn ervaring met deze kinderen in de praktijk, alleen maar hartgrondig mee instemmen.

© Psychologie Vandaag, kenniscentrum en online therapie 2018. Alle rechten voorbehouden.