Wat houdt psychologisch onderzoek in?

18 januari 2019 by Linda Mulders
woman.jpg

Als je bij een psycholoog komt, kan het zijn dat deze psychologisch onderzoek voorstelt, ook wel (psycho)diagnostiek genoemd. Waar is het voor en wat kun je verwachten?

Wat is psychodiagnostiek?

Net zoals een arts, wil een psycholoog graag goed begrijpen wat er aan de hand is met zijn cliënt. Ter laak en De Goede (2003) geven in hun handboek als definitie: “Uiteindelijk wil een diagnosticus geldige uitspraken doen over gedragingen van personen. Dat zijn uitspraken over cognitie [denken], emotie, motivatie en gedrag van personen. Die uitspraak kan een beschrijvend karakter hebben, een voorspelling van toekomstig gedrag zijn of een verklaring bieden voor een gedragsprobleem. Voor elk van deze uitspraken geldt dat ze betrouwbaar en valide moeten zijn.” In het onderzoek wordt vaak een oriëntatie gekozen of er worden twee oriëntaties met elkaar gecombineerd, bijvoorbeeld:

  • individuele verschillen of persoonlijkheid
  • ontwikkeling
  • context, oftewel de interactie tussen een persoon en zijn (sociale) omgeving

Niet bij elke behandeling wordt psychologisch onderzoek gedaan. Zeker in de eerste lijn (de basis GGZ) is dit niet altijd nodig. Soms kan iemand immers goed uitleggen wat er aan de hand is en is snel duidelijk hoe psycholoog en cliënt hieraan kunnen werken. Ook kan het zijn dat er alleen kort, beeldvormend onderzoek wordt ingezet.

Wat gebeurt er tijdens psychologisch onderzoek?

Hoe het onderzoek eruit ziet, hangt af van der onderzoeksvraag. Het beste is om van tevoren goed aan je therapeut te vragen wat precies de bedoeling is. Als je dat prettig vindt, kun je gerust om een extra gesprek vragen om alles goed door te bespreken. Grofweg kun je psychologisch onderzoek op de volgende manieren indelen:

  • intelligentie-onderzoek. Het doel is erachter te komen op welk niveau iemand cognitief functioneert. Intelligentie-onderzoek bestaat uit verschillende subtests en duurt ongeveer twee uur. Het is een interactief testonderzoek: de onderzoeker legt uit wat de bedoeling is, stelt vragen en of begeleidt de opdrachten. Je zit dus niet in je eentje in een kamer. De uitkomst bestaat vaak uit een totaalscore en een intelligentieprofiel: een analyse van de sterke en zwakke punten in iemands denkvermogen.
  • functie-onderzoek of neuropsychologisch onderzoek. Net als het intelligentie-onderzoek is dit een testonderzoek. Vaak worden er verschillende onderdelen doorlopen waardoor een uitspraak kan worden gedaan over hersenfuncties zoals het (werk)geheugen, de concentratie, het executief functioneren, de waarneming enzovoort. Er kan bijvoorbeeld gevraagd worden om figuren na te tekenen, zo snel mogelijk een taak te maken met pen en papier, woorden te herhalen, een toren te bouwen, kaarten te sorteren en nog veel meer. Hoe lang het onderzoek duurt is afhankelijk van wat er precies getoetst wordt.
  • vragenlijstonderzoek. Je beantwoordt een aantal vragen of jezelf of geeft aan of stellingen op jou van toepassing zijn. Meestal brengen dit soort onderzoeken in kaart wat iemands klachten zijn, hoe zijn persoonlijkheid of zelfbeeld in elkaar zit en hoe hij met problemen omgaat. Vaak zijn het veel vragen. Dat komt doordat psychologen liever geen conclusies trekken op basis van één of een paar vragen. De vragenlijsten die je krijgt zijn al heel vaak door veel verschillende mensen ingevuld. Daardoor is bekend hoe mensen er “gemiddeld” op antwoorden en kun je dus ook zien wanneer een antwoord “afwijkt”. Dat is niet per se erg, maar kan bijdragen aan de beeldvorming. Een psycholoog legt meestal de uitkomsten van meerdere vragenlijsten naar elkaar en interpreteert het met behulp van wat iemand vertelt heeft tijdens het gesprek.
  • projectief materiaal. Dit is een minder directe onderzoeksmethode. Tijdens projectief onderzoek wordt iemand gevraagd iets te tekenen, een verhaal te vertellen bij een plaat, zinnen af te maken enzovoort. Het idee erachter is dat de manier waarop iemand dat aanpakt, iets zegt over wat er in hem leeft. Vaak wordt projectief materiaal gebruikt om wat meer de diepte in te kunnen, en zo ook thema’s aan te roeren die niet zo gemakkelijk in een concrete vragenlijstvorm zijn te gieten.
  • gezinsonderzoek of systeemonderzoek. Hierbij wordt het hele gezin uitgenodigd. Je voert een of meerdere gezamenlijke gesprekken of je krijgt een opdracht die je samen uitvoert. Op deze manier krijgt de psycholoog inzicht in hoe de gezinsleden met elkaar omgaan en welke rol iedereen inneemt.
  • observatie. Hierbij komt er een psycholoog of onderzoeker naar school, werk of de behandelgroep om te kijken hoe de cliënt zich gedraagt en hoe de interacties met anderen zijn. Hij maakt van tevoren een plan waar hij op gaat letten en beschrijft dit zo objectief mogelijk.
  • dossieronderzoek. Dit gebeurt wanneer er al eerder onderzoek is gedaan of als er al veel informatie bekend is. De psycholoog zal jou vragen om de verslagen aan te leveren, óf hij vraagt toestemming om de documenten op te vragen. Er is geen gekoppeld systeem waarin een psycholoog automatisch gegevens van andere organisaties kan inzien.

In de specialistische GGZ kan het zijn dat de onderdelen door verschillende mensen worden uitgevoerd. Dat kan een beetje raar aanvoelen maar heeft één groot voordeel: de uiteindelijke beeldvorming hangt niet af van de visie van een enkel persoon. Ook al worden er immers gestandaardiseerde tests gebruikt, de interpretatie blijft mensenwerk. En een groep mensen weet nu eenmaal meer dan één.

En dan?

De psycholoog beschrijft zijn bevindingen in een verslag. Meestal is een verslag ongeveer als volgt opgebouwd:

  1. Reden van aanmelding
  2. Klachten
  3. Relevante voorgeschiedenis
  4. Onderzoeksvragen (of onderzoeksopzet)
  5. Resultaten (per onderdeel)
  6. Beantwoording van de onderzoeksvragen
  7. Integratief beeld
  8. Advies

In het integratief beeld worden alle deeluitkomsten bij elkaar gebracht. Dat is belangrijk voor de interpretatie. De betekenis van bepaalde klachten en problemen is bijvoorbeeld anders wanneer iemand een laag IQ heeft en moeite heeft om de wereld te begrijpen, dan wanneer de intelligentie juist heel hoog is. Het integratief beeld is gelijk aan de beschrijvende diagnose. Daarnaast kan er een DSM-classificatie worden gegeven. Meer over het verschil hiertussen lees je hier. Het integratief beeld vormt vervolgens de basis voor het behandelplan.

Wat gebeurt er tijdens psychologisch onderzoek met kinderen?

Veel van de hierboven beschreven onderzoeken kunnen ook met kinderen. Intelligentie kan al gemeten worden vanaf 2,5 jaar, hoewel het dan nog niet zo betrouwbaar is. Vanaf 6 jaar zijn de tests beter en zijn kinderen beter toetsbaar. Neuropsychologische tests kunnen meestal vanaf 6 of 8 jaar. De meeste vragenlijsten zijn ook geschikt voor kinderen vanaf 8 jaar. Adolescenten (vanaf 12 jaar) hebben meestal weer andere vragenlijsten. Ouders kunnen ook vragenlijsten invullen over het gedrag van hun kind. De meeste kinderen vinden projectieve opdrachten leuk, omdat ze er plezier in hebben om te tekenen, verhalen te vertellen of samen te spelen. Bij kinderen worden vaker observaties ingezet dan bij volwassenen, bijvoorbeeld op school. Ook vindt er bij kinderen vaak een anamnesegesprek plaats met de ouders. Dit is een uitgebreid gesprek over de ontwikkeling van het kind tot nu toe. Bij volwassenen kan dit overigens ook worden gedaan.

Bronnen:

Ter Laak, J.J.F. en De Goede, M.P.M. (2003). Psychologische Diagnostiek. Inhoudelijke en methodologische grondslagen. Swets & Zeitlinger, Lisse.

© Psychologie Vandaag, kenniscentrum en online therapie 2018. Alle rechten voorbehouden.