Anders opvoeden stap 2: tekortschietende vaardigheden opspeuren

27 oktober 2018 by Linda Mulders
kinderen-teamwork-1024x696.jpg

Bij sommige ouders en kinderen werken de standaard opvoedmethoden goed, maar in andere gezinnen niet. Bijvoorbeeld omdat het “straffen en belonen” waar deze methoden meestal op gebaseerd zijn, niet past bij ouders en kind. Onlangs besprak ik een alternatief: de methode Collaborative and Proactive Solutions, oftewel gezamenlijk proactief probleemoplossen, van psychiater Ross W. Greene. We zijn begonnen bij stap 1: kiezen waar je aan wil werken. Deze week is stap 2 aan de beurt: tekortschietende vaardigheden opspeuren. Veel Engelstalige informatie en filmpjes over de methode zijn overigens ook te vinden op de website van Ross Greene.

Wat zijn tekortschietende vaardigheden?

In de vorige stap heb je vastgesteld welke problemen voor jou en je partner het meest belangrijk zijn en waar je aan wil werken. Natuurlijk is het ook belangrijk om te checken of je kind daarmee aan de slag wil; dat komt straks. Eerst moet je opsporen wat jouw kind in de weg staat in de situaties op je lijstje.

Een vaardigheid is iets wat iemand goed kan, zoals piano spelen, plannen en organiseren, gamen, luisteren, rekenen, enzovoort. Een tekortschietende vaardigheid is iets wat iemand niet zo goed kan, bijvoorbeeld omdat zijn brein daar niet toe is uitgerust, omdat hij het nog niet geleerd heeft of, bij kinderen, omdat hij daar in zijn ontwikkeling nog niet aan toe is.

In conflicten tussen ouders en kinderen speelt vaak een van de volgende (cognitieve) vaardigheden een rol:

  • inhibitie: een kind kan zich moeilijk inhouden als hij eenmaal op een bepaalde manier wil reageren.
  • flexibiliteit: een kind kan niet goed schakelen, bijvoorbeeld van de ene activiteit naar de andere. Of hij kan niet goed omgaan met veranderingen.
  • emotieregulatie: een kind kan moeilijk omgaan met teleurstellingen en schiet snel door naar extremen: driftbuien, huilbuien, paniekaanvallen etc.
  • initiatief nemen: een kind heeft moeite om met een taak of activiteit te beginnen.
  • werkgeheugen: een kind kan de informatie die hij moet gebruiken niet goed “online” houden terwijl hij bezig is. Dingen ontglippen hem. Sta je zelf weleens ineens in een kamer en weet je niet meer wat je daar ook alweer ging doen? Dan heeft je werkgeheugen je in de steek gelaten.
  • plannen en organiseren: een kind heeft moeite met vooruitkijken, denken in stappen en oorzaak en gevolg.
  • ordelijkheid en netheid: een kind is chaotisch in zijn denken en/of doen.
  • gedragsevaluatie: een kind heeft moeite om terug te kijken op zijn gedrag en het zo nodig aan te passen.
  • taken afmaken: een kind begint enthousiast maar maakt niet af waar het aan begint.

Andere vaardigheden kunnen natuurlijk ook, zoals samenwerken of inleven, je hoeft je niet te beperken tot dit lijstje. Kijk alleen wel of je zo dicht mogelijk bij de kern kunt komen; wees ook hier specifiek.

Wie stelt tekortschietende vaardigheden vast?

Je kunt er op een aantal manieren achter komen waar je kind moeite mee heeft.

  • Je kind zelf: let op uitspraken zoals “ik weet niet hoe ik moet beginnen”, “wat was ik ook alweer aan het doen?”, “het is saai”, “mijn zusje is irritant”, “ik heb er geen tijd voor” enzovoort.
  • Je eigen observaties: kijk naar je kind. Zijn het vaak overgangsmomenten waarop je kind vastloopt? (bijvoorbeeld van schermtijd naar etenstijd of van huis naar school) Dan is flexibiliteit mogelijk een probleem. Zie je vaak driftbuien? Dan zit het probleem wellicht meer in de emotieregulatie.
  • Een professional: een psycholoog kan je helpen tekortschietende vaardigheden in kaart te brengen, bijvoorbeeld door te praten met jou en je kind of door testonderzoek.

Waarom zou dit helpen?

Deze denkwijze helpt je om te achterhalen waarin je kind overvraagd wordt. Overvraging betekent dat er een verwachting is waar het kind niet aan kan voldoen. (let op: niet dat hij er niet aan wil voldoen. Zoals eerder besproken willen de meeste kinderen heel graag voldoen aan verwachtingen) Als iemand jou ineens achter een piano zet en je vraagt om een muziekstuk te spelen, terwijl je dat nog nooit hebt gedaan en er misschien wel helemaal geen aanleg voor hebt, lukt het je ook niet. Zo is het vaak ook met de dingen die we van kinderen vragen.

Je hebt tot nu toe twee dingen gedaan: een probleem vastgesteld en specifiek gemaakt, en nagedacht over waar mogelijk de schoen wringt voor je kind. Oftewel, je hebt een hypothese, een veronderstelling. Nu is het tijd dat je gaat toetsen of het klopt wat je denkt. Daarvoor ga je in gesprek met je kind. Dit is stap 3: aan je kind vragen wat er aan de hand is.

© Psychologie Vandaag, kenniscentrum en online therapie 2018. Alle rechten voorbehouden.